HONDERD JAAR GELEDEN

 

In het jaar 1843 kwam in een der Engelsche bladen een verslag voor, waaraan wij het volgende ontleenen. Als daarin uitkomt, hoe toen ter tijd over de "Broeders" geschreven werd, mogen wij ons wel eens afvragen, in hoever nu eenzelfde getuigenis van ons zou kunnen worden gegeven.

 

"Sinds eenige jaren vergaderen vele geloovigen in verschillende landen op een wijze, waarvoor wij den grootsten eerbied hebben, omdat hun heele openbaring met hun getuigenis in overeenstemming is. Ze zijn geestelijk gezind, ootmoedig, voorkomend en waardeerend, goed onderwezen. Ze hebben een diep gevoel van de algenoegzaamheid van Gods genade. Ze gelooven, dat alle menschen in Adam verloren zijn, en dat er alleen zaligheid te verkrijgen is door den Persoon en het Werk van Jezus Christus. Ze beroemen zich op gn verdiensten, maar erkennen, den dood en het oordeel verdiend te hebben. Ze hebben het eeuwige leven ontvangen als een vrije gift van Gods genade. Als gevolg daarvan - omdat dit alles niet maar theorie is, doch bij hen leeft - is hun liefde tot Jezus groot, en hun vertrouwen op Hem zeer sterk. Terwijl zij op de genade Gods zien als de bron van alle zegeningen, is naar hun overtuiging het middelaarschap van Christus het kanaal, waardoor deze zegeningen alleen kunnen worden uitgestort. De Schriften achten zij hoog. Ze zijn met grooten eerbied ervoor vervuld. Maar wat zij het voornaamste achten, is: dat de Schriften van Jezus getuigen. Overal zien zij Hem in Gods Woord. Drom vooral onderzoeken zij dagelijks de Schriften. Hij is hun Middelpunt en hun alles.

"Zij hebben steeds een Bijbel bij zich, als zij elkaar bezoeken. En men kan er bijna zeker van zijn, dat zij dan hun Bijbel voor den dag halen, er in lezen en er over spreken. Het is verbazingwekkend, hoe zij in den Bijbel thuis zijn! Eens hoorde ik een der "Broeders" een rede houden, waarin hij uit zijn geheugen wel zeventig tot tachtig aanhalingen uit de Schrift deed; boek, hoofdstuk en vers noemende. En wlk onderwerp ook ter tafel komt, steeds weten zij de Schriften aan te halen als het eind van alle tegenspraak en als vertrouwbaren raadgever. Gods Woord schijnt altijd tot hun beschikking te staan. Ik moet eerlijk zeggen, dat ik geloof, dat dit het geheim is van hun godvruchtigen wandel, en ook van hun nederige, welwillende gezindheid, ja, van hun vasthouden aan de Christelijke belijdenis.''