OVERDENKINGEN OVER DE PSALMEN

 

Psalm 12

 

Bij het lezen van dezen Psalm kwam mij Elia voor de aandacht. Elia op Horeb. Daar komen de woorden over zijn lippen: "Ik ben maar alleen overgebleven, en zij zoeken mijn ziel om die weg te nemen." Welk een verschil met Elia op den Karmel! Daar stond hij werkelijk alleen, maar - met zijn God. Onbeweeglijk, als een pilaar, rotsvast. Onverschrokken getuigde hij er tegen den vijand. Alleen, en toch niet Aleen: want hij was krachtig met zijn God. Maar op Horeb gevoelt Elia zich alleen en moedeloos. En niet alleen moedeloos, maar ontevreden. Hij wordt daar een aanklager van Gods volk. Welk een verschil met Mozes in Ex. 32! Mozes is daar op dezelfde plaats een voorbidder.

Gelukkig vinden we bij David in dezen Psalm niet de moedelooze gesteldheid des harten van een Elia op Horeb. Maar wel gevoelt hij zich eenzaam, alleen.

"Behoud, o Heer!" zegt hij, "want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de menschenkinderen." Het moeten moeilijke dagen geweest zijn voor David. Geen vrienden om hem heen, geen geloovigen met wie hij gemeenschapsoefening hebben kon; maar integendeel dezulken, die valschheid spraken.

Zal een dergelijk gevoel ook straks niet opkomen bij de geloovige Joden ten tijde van den antichrist?

Maar kan het ook n soms niet zoo zijn bij ons, geloovigen? Een gevoel van alleen zijn? Ik zeg niet, dat het goed is, want de Heer verlaat de Zijnen nooit. Maar het kan toch moeilijk zijn, als men geen gemeenschap kan oefenen met anderen. Heeft de Heer Jezus niet geklaagd: "Allen hebben Mij verlaten." terwijl Hij toch in volle gemeenschap van Zijn Vader was? En gevoelde Paulus, in den kerker te Rome, terwijl hij nochtans gelukkig was, zich niet alleen?

 

Nu wordt door David iets gezegd over de menschenkinderen. De goedertierene ontbreekt. Lust in het goede is er niet. Trouw wordt weinig gevonden. Maar wel valschheid in hetgeen gezegd wordt met vleiende lippen en met een dubbel hart. Het is opmerkelijk, dat het in dezen Psalm niet gaat over vervolging, over gevangenis of wegnemen van het leven, maar over wat de mond spreekt. Dat is het karakter van dezen Psalm; en dit staat, zooals we straks zien zullen, tegenover de reine redenen des Heeren.

Is het niet moeilijk voor den geloovige, in zulk een omgeving te moeten vertoeven? Dagelijks te doen te hebben met woorden van valschheid, met vleiende lippen, met onoprechte en dubbelhartige menschen? Zal in de toekomst de antichrist niet k hierdoor gekenmerkt worden? Ook is er sprake van de grootsprekende tong en de lippen die zeggen: "Wie is heer over ons?" Niemand boven hen; eigen meesters! Is dit niet de gezindheid van den wettelooze, waarvan de Apostel spreekt in 2 Thess. 2?

Met dat al wordt de ellendige verwoest, en de nooddruftige kermt. Maar dan staat de Heer op tot behoudenis voor degenen, die daarnaar uitzien. Dt is de dag der verlossing!

Doch ook nu mag de geloovige te midden van alle smaadredenen zich op den Heer werpen, en uitzien naar den dag, dat Hij komt om de Zijnen weg te nemen uit het midden der vijanden.

Kunnen we ons nu eenigszins indenken, hoe moeilijk David het moet gehad hebben, toen hij dezen Psalm schreef? Omgeven van vleiende, kwaadsprekende, dubbelhartige menschen, en dan alleen?

 

Laten we ons nu nog een oogenblik bezighouden met de groote tegenstelling: "De reine redenen des Heeren." Die zijn als zilver, zegt David, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal. Hoe kostelijk is het woord des Heeren voor het hart! Alles rein, alles zuiver, alles gelouterd. Geen bestanddeelen, die schadelijk zouden kunnen zijn voor jong of oud. Achter de redenen van menschen, zelfs ook van geloovigen. moet men menigmaal een vraagteeken zetten. Maar de redenen des Heeren kan men zonder vrees in zich opnemen en een plaats geven in zijn hart. Ze kunnen niet anders dan tot zegen zijn.

Mochten wij allen, jong en oud, meer een open oor hebben voor Gods Woord, te midden van zoo vele woorden van menschen, die ons schaden kunnen. Maar de Heer wil de Zijnen ook n bewaren. Laat, wanneer we ons eenzaam mochten gevoelen, - want ook nu zijn er geloovigen, die zoo weinig gemeenschap kunnen oefenen met anderen, - het Woord des Heeren toch onze toevlucht zijn!

J. A. V.