VRAGEN EN ANTWOORDEN

 

A.S. te D. vraagt: Heeft Paulus goed gedaan, door aan het verzoek van de oudsten van Jeruzalem te voldoen? (Hand. 21 : 17-26.)

 

We mogen wel zeer voorzichtig zijn in ons oordeel over anderen, vooral wanneer het mannen Gods betreft van wie we verwachten mogen, dat zij met hun geweten voor God leven en zich door het Woord en den wil des Heeren laten leiden. Toch moeten wij, als zij iets doen waarvan wij de overtuiging hebben, dat het niet recht is, dit niet trachten goed te praten. Zoo moeten we in deze aangelegenheid niet Paulus willen verdedigen met het woord, dat hij eens heeft geschreven: "Ik ben den Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden mocht winnen; hun, die onder de wet zijn, als onder de wet, (hoewel ikzelf niet onder de wet ben,) opdat ik hen, die onder de wet zijn, winnen mocht." Want in dit geval ging het er niet om, eigen vrijheid prijs te geven en aldus de zwakken te naderen in liefde, maar ging het om de waarheid. Immers, hoewel Paulus nergens geleerd had, dat de Joden hun kinderen niet moesten laten besnijden, noch naar de joodsche, gebruiken wandelen, had hij nochtans het standpunt van den geloovige in Christus met groote duidelijkheid beschreven, en aangetoond, dat ˇˇk de geloovige Jood vrij was van de wet. Zijn brief aan de Romeinen, jaren te voren geschreven, getuigde daarvan. En zeker heeft hij ˇˇk zijn geliefde broeders te Jeruzalem gewezen op het groote gevaar, zich vast te klemmen aan de schaduwen. Nu bij echter te Jeruzalem was, niettegenstaande de Geest hem nadrukkelijk had gezegd, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem, had hij zich in groote moeilijkheid gebracht. Hij werd met veel blijdschap ontvangen, en toen hij den volgenden dag bij Jakobus was, waar al de oudsten saamgekomen waren, en hij hun verhaalde, wat God onder de volken door Zijn dienst had gedaan, verheerlijkten zij wel allen God, maar nu kwam voor Paulus de verzoeking. Wat de geloovigen uit de volken aangaat, wilden de oudsten zich houden aan hetgeen te voren in Jeruzalem goedgevonden was. Maar voor de geloovigen uit de Joden was het toch anders. En zij moesten den indruk krijgen, nu Paulus in hun midden vertoefde, dat hij voor hen de wet niet terzijde stelde. Om nu die vele Joden te bevredigen, gaven zij hem den raad, een gelofte te doen en verschillende ceremoniŰn der wet te vervullen. - En nu lezen we niet, dat Paulus hier in gebed om, leiding vraagt. Integendeel, wij krijgen den indruk, dat hij ter wille van het goede doel in den tempel inging om zich, met anderen, te laten reinigen, en de kosten betaalde van het offer, enz., voor armen, die de NazireŰrsgelofte hadden afgelegd. Maar gaf hij hierdoor niet den schijn, dat hij ook zelf wandelde in de onderhouding der wet? - Het moet wel een vreemd gezicht zijn geweest, een man als de Apostel Paulus, die zoo gesproken en geschreven had tegen het zich onderwerpen aan de wet en aan wettelijke voorschriften, nu zelf dezen weg te zien gaan! Men bedenke er echter bij, dat er bij hem geen sprake was, ook in het geringste maar, van het loslaten der waarheid, doch dat hij zich alleen liet leiden door zijn groote liefde voor zijn volk.