"WIE HEEFT LUST DEN HEER TE VREEZEN?"

 

Ps. 25 couplet 6;

berijming van Ps. 25 : 12

 

De ware vreeze Gods is een gesteldheid des harten, die zich op het gansche terrein des levens openbaart; zij maakt wijs, zij doet het waarachtig goede aanhangen, zij doet vooral ook het kwade haten.

De Heilige Schrift zegt dit eenvoudig en duidelijk als volgt:
"Leer mij, Heere! Uwen weg, Ik zal in Uwe waarheid wandelen, vereenig mijn hart tot de vreeze Uws naams." (Ps. 86 : 11.)
"De vreeze des Heeren is de wijsheid." (Job 28 : 28.)
"Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vreezen, en al Mijne geboden te allen dage te onderhouden." (Deuter. 5 : 29; zie ook 6 : 2, enz.)
"De vreeze des Heeren is te haten het kwade de hoovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg." (Spr. 8 : 13.)

 

Ware vreeze Gods gaat gepaard met oprechte vroomheid, die in de Schrift evenzeer als een prijzenswaardige levenshouding wordt genoemd, doch meer in het bijzonder op godsdienstig terrein kenbaar wordt. Onder een vroom mensch verstaan wij toch als regel iemand,die door geestelijk gestemde woorden en godsdienstige handelingen laat blijken, zich aan den dienst van God te willen gewennen.

Helaas is het niet altijd waar, dat vroomheid voortkomt uit ware vreeze Gods. Iemand kan zeer vroom zijn in woorden, kan trouw godsdienstige samenkomsten bezoeken, geregeld bidden en geestelijke liederen zingen, terwijl toch het hart verre is van de ware vreeze des Heeren. Men kan den schijn wekken vroom te wezen, men kan dit van zichzelf denken, zonder waarlijk godvreezend te zijn.

In den Bijbel vinden wij hiervan een merkwaardig en ernstig voorbeeld in de geschiedenis van Jozef en zijn broers. Als de broers, om brood verlegen, voor den machtigen onderkoning van Egypte verschijnen en deze hen beschuldigt verspieders te zijn, hooren wij hen tot onze verbazing zeggen: "Wij zijn vroom!" (Gen. 42 : 11.) Jozef grijpt hen bij hun eigen woorden. "Zoo gij vroom zijt…" Maar hoe zeer moet dit antwoord den oprechten man hebben gegriefd. Daar stonden de tien schuldigen, laf en wreed hadden zij hun jongeren broer uit jaloerschheid als slaaf verkocht, hun ouden vader schandelijk bedrogen, jarenlang hadden zij die leugen gehandhaafd, altijd was hun geweten bevlekt geweest, en nu: "Wij zijn vroom!'' [1]

Treffend is het, dat Jozef voor zichzelf die woorden niet overneemt, maar dat hij zegt - en met heiligen ernst en diepe ontroering moet die uitlating van zijn lippen zijn gekomen! -: "IK VREES GOD!"

Met recht kon hij dit getuigen. De vreeze des Heeren was in zijn leven aan den dag getreden - eerst in zijns vaders huis, straks op den weg naar Dothan, later bij de verzoeking, die door Potifars huisvrouw tot hem kwam en hem dreef tot den uitroep: "Zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God?" en ook in den kerker en op den troon.

Nog driemaal in datzelfde 42ste hoofdstuk van Genesis gewagen de broers van hun vroomheid en wel als zij, bij hun vader Jakob teruggekeerd, verslag van hun reis doen; maar tóch - het oprechte en gestrenge woord van Egypte's regent schijnt schuldbesef bij hen wakker geroepen te hebben. Nog in Egypte hebben zij het uitgeroepen: "Voorwaar, wij zijn schuldig aan onzen broeder, wiens benauwdheid der ziel wij zagen."

 

Nog veel aangrijpender en ernstiger vinden wij hetzelfde bij de vrome Joden in Jezus' dagen. De vroomheid der farizeën, wetgeleerden, overpriesters, heeft hen niet verhinderd, hun Messias te verwerpen. Hem, den waren Israëliet, den waren Jozef, den Man, Wiens gansche leven in volmaaktheid aan God was gewijd, Hem hebben óók de "vromen" gehoond, bespot, ter dood verwezen. Het kruis was het deel van den Man, die God vreesde in volkomenheid, en de "vrome" Israelieten begeeren, dat Zijn dood lichaam bij tijds van het kruis worde genomen, opdat zij ongehinderd het Paaschfeest vieren konden en in Gods heiligdom treden mochten! Ontzettende tegenstelling!

 

Intusschen - zoo ginds als hier blijkt het, dat vroomheid zonder vreeze Gods den dood werkt, terwijl de vreeze Gods uiteindelijk rijk beloond wordt.

Hadden Jozefs broers niet, bij den onderkoning brood bekomen, ze waren den hongerdood gestorven. Aanvankelijk heeft hun wreed optreden den godvreezenden jongeren broer ten val gebracht, maar heerlijk blijkt ten slotte, hoe God in alles Zijn hand heeft. De verworpene bestijgt den troon, de redder der wereld wordt ook de redder van zijn belagers, en Jozef, die bij monde van Juda de schuldbelijdenis van de broeders ("God heeft de ongerechtigheid uwer knechten gevonden!") gehoord heeft, overlaadt hen met zijn weldaden.

En bij hetgeen op den heuvel Golgotha geschiedde, is het niet anders. Voor de wereld winnen de schijnvromen het, en Jezus, de Rechtvaardige, gaat ten onder. Maar vreeselijk is het oordeel Gods over Jeruzalem, en nóg dolen de Joden om, ver van het land der belofte, in een wereld, die hen verjaagt, - en heerlijk is de belooning voor den Rechtvaardige! Uit het graf verrezen, stijgt Hij op ten hemel en zit in den troon Gods, vanwaar Hij straks in heerlijkheid zal wederkomen om Zijn volk te redden. Dán zullen zij zien op Hem, Dien zij doorstoken hebben, dán zullen alle stammen des lands over Hem weeklagen, dán zal Hij, hun Redder, hen met Zijn weldaden overladen.

 

Als wij deze dingen overdenken beeft ons hart. En we roepen het uit: "O God, bewaar ons voor uiterlijke vroomheid, die niet écht is, en geef ons echte, ware, oprechte vreeze voor Uw Naam. Schenk ons de genade, om in álles, ook in de kleine dingen van het leven, naar Uw heiligen wil te handelen; help ons te wijken van het kwade!"

 

"Welgelukzalig is een iegelijk, die den Heere vreest;die in Zijne wegen wandelt." (Psalm 128 : 1.)
"Zijne barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over hen, die Hem vreezen." (Lukas 1 : 50.)
"De vreeze des Heeren is een springader des levens." (Spreuken 14 : 27.)

 

"Wie heeft lust den Heer te vreezen,
't Allerhoogst en eeuwig goed?
God zal Zelf zijn leidsman wezen,
Leeren hoe hij wand'len moet.

 

N.A.J. V.


[1] Het woord "vroom," dat in de Staten-vertaling gebruikt wordt, kan - verouderd – ook de beteekenis hebben van "eerlijk." Obbink bijv. vertaalt: "Zijn wij niet eerlijke lieden."