TE MEER ONZE AANDACHT SCHENKEN

 

Hebr. 2 : 1-3

 

Het eerste vers van HebreŽn 1 spreekt over twee dingen, die ons in de dagen onzer Conferentie bezighielden: de profeten en de vaderen. "God eertijds vele malen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende in de profeten, heeft aan het einde dezer dagen tot ons gesproken in den Zoon." God heeft in de vorige eeuwen tot de volken niet Zijn woord gericht. Hij sprak tot hen door de schepping en door het geweten. In den schoonen 19den Psalm wordt gezegd: "De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk Ö geen spraak en geene woorden zijn er, waar hunne stem niet wordt gehoord." En wat het geweten betreft, daarvan zegt de Schrift, dat het medegetuigt of ontschuldigt. (Romeinen 2 : 14-15.) Tot IsraŽl richtte Hij door de profeten Zijn woord; ook over de volken.

Tot de geloovigen van onze bedeeling heeft God gesproken door den Zoon, d.w.z. God spreekt Zelf tot ons in den Persoon des Zoons. Voor ons zijn er drie getuigenissen: de schepping, het geweten, en het spreken van den Zoon. Dit laatste is de hoogste en heerlijkste openbaring.

Wij zouden het Woord Gods willen vergelijken met een hoogen bergketen en daaraan voorafgaande kleine bergketens, voorgebergten. De toppen van dezen bergketen zon ik willen vergelijken met hoofdstukken als Johannes 1, Kolosse 1 en HebreŽn 1. Welk een machtig bergmassief in Johannes 1: "In den beginne was het Woord; en het Woord was bij God; en het Woord was God." Ook de twee andere toppen - Kolosse 1 en HebreŽn 1 - zijn majestueus in schoonheid.

De eerste verzen van HebreŽn 1 spreken over Hem, die grooter heerlijkheid heeft dan de engelen. In het eerste vers nu van hoofdstuk 2 staat het woordje: "Daarom;" dit wil zeggen, dat wat nu zal volgen, voortvloeit uit het voorafgaande.

"Daarom moeten wij te meer ons houden aan hetgeen wij gehoord hebbenÖ" Of: "Wij moeten te meer onze aandacht schenken aan hetgeen wij gehoord hebben."

De heerlijkheid van den Persoon des Heeren Jezus is ons in HebreŽn 1 voorgesteld. Het is alleen de Heilige Geest, die Zich kan bedienen van zulke woorden, om ons de heerlijkheid van Jezus te beschrijven; van den Zoon, die meer is dan alle engelen. God heeft ons Christus voorgesteld in Zijn vernedering, in Zijn dood, maar ook in Zijn verhooging.

Hoe groot was Zijn vernedering! Een nieuwe mensch komt in deze wereld. Een, die voor de rechten Gods zou optreden. Maar dat niet alleen. Hij heeft Gods gerechtigheid en heiligheid geopenbaard in deze wereld vol zonde en ongerechtigheid.

Laat ons dan te meer ons houden aan hetgeen wij gehoord hebben; er te meer onze aandacht aan schenken! "Opdat wij niet misschien afwijken; misschien afglijden." In de Fransche vertaling staat: "Uit vrees, dat wij zouden afdwalen."

Men zal misschien vragen: "Kan een geloovige dan afglijden?" Een geloovige bereikt zeker eens de plaats zijner bestemming. Maar God heeft voor hem een weg er heen, waarop hij een getuigenis voor Hem heeft al te leggen. Van dien weg kunnen wij afwijken, afglijden. Het is wel eens vergeleken met een schip, dat naar de haven vaart en schipbreuk lijdt. Zeker, de passagiers gaan niet verloren, zij komen aan land, hetzij op een plank of in een reddingsboot, maar het is geen schitterende thuiskomst! Petrus spreekt over een ruimen ingang. Dat gaat maar niet zoo vanzelf. Willen wij met volle zeilen de haven binnenvaren, dan moeten wij te meer onze aandacht schenken aan hetgeen wij gehoord hebben, opdat wij niet afwijken en stranden.

Dit afwijken kan geschieden door een van de drie dingen, waarbij wij in den eersten Brief van Johannes bepaald worden: "De begeerlijkheid des vleesches, de begeerlijkheid der oogen, en de grootschheid des levens." (1 Johannes 2 : 16.) Wij mogen ťťne begeerte koesteren: het is de begeerte, om Christus meer gelijkvormig te worden! Wij hebben vťle wenschen, maar aan de meeste van die kan God Zijn goedkeuring niet hechten. Aan ťťn wensch echter wel; dat is de wensch om goed het einddoel te bereiken. O, dat ons levensschip met volle zeilen de veilige haven der rust mocht binnenvaren!

Van een Lot, een Demas, een Ananias en Saffira, mogen we wel aannemen, dat zij niet verloren zijn gegaan, doch te hunnen opzichte kunnen wij niet spreken van een ruimen ingang. Stel daartegenover een Apostel Paulus! In zijn laatsten brief, die aan TimotheŁs is geschreven, kan hij spreken over zijn verscheiden in de wetenschap: de kroon wacht mij!

Wij moeten achtgeven op twee belangrijke dingen: Ons hart moet gericht zijn op den Heer, en onze oogen op het einddoel.

"Indien nu het woord, door engelen gesproken, vast geweest is, en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft, hoe zullen wij ontvlieden, als wij zoo groot een heil veronachtzamen?" Wij moeten bedenken, dat deze tekst niet spreekt over de betrekking, waarin wij door God gesteld zijn, doch dat ze handelt over onze verantwoordelijkheid. Hoe kunnen wij ontkomen aan de tucht Gods, als wij op zulk een groot heil geen achtgeven? Er is een groote prijs voor ons heil betaald. "Gij zijt duur gekocht." De Bijbelvertalers hebben wel langen tijd moeten zoeken naar woorden, om uit te drukken wat dit wil zeggen. De prijs, voor ons betaald, is het KOSTBARE bloed van Christus.

Waarom wordt het een groot heil genoemd? Groot is het met het oog op Hem, die het heilsplan heeft ontworpen; groot in betrekking tot de diepte, waaruit Gods genade ons heeft opgehaald; groot in verband met de hoogte, waarop Hij ons heeft geplaatst.

Geven we dan aan dit groote heil onze volle aandacht!

 

A. H.

Naar een avondtoespraak ter Conferentie in Den Haag.