VERNEDERT U!

 

1 Petrus 5 : 6

 

Is er niet veel reden, ons voor den Heer te verootmoedigen? Wandelen wij waardig der roeping, waarmede wij geroepen zijn; met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid; met lankmoedigheid, elkander in liefde verdragende, en de eenheid des Geestes bewarende in den band des vredes? Verwezenlijken wij waarlijk deze kenmerken van het kindschap Gods in onze verhouding tegenover onze broeders? Hebben wij eenzelfde gezindheid, eenzelfde liefde, de een den ander uitnemender achtende dan zichzelf; een iegelijk niet op het zijne ziende, maar ook op hetgeen der anderen is? Dat onze harten op deze vragen een antwoord geven! Denken wij er over na, en vernederen wij ons met het oog op het droevig tafereel onzer verdeeldheden en gebreken. Wij zijn geroepen heiligen, en toch - laat het ons belijden! - vaak zoo vleeschelijk, zooals van de KorinthiŽrs wordt gezegd. Wat had de broeders aldaar vleeschelijk gemaakt? Hun hoogmoed. En is er niet op den bodem van ons hart een weinig hoogmoed verborgen, die zich openbaart door onze zelfvoldaanheid en onzen eigenwil?

Daarom geldt Petrus' vermaning, zich te vernederen, voor ons allen, ook in onzen tijd. De toestand van de geloovigen, aan wie Petrus schreef, was zeker gunstiger dan die der KorinthiŽrs. De apostel leefde mee in hun verdrukking en beproeving, en nochtans, hoewel Petrus hen niets verwijt, maar hen bemoedigt, vermaant hij allen, zich te vernederen.

"Weest allen jegens elkander met ootmoedigheid bekleed, want Gůd wederstaat de hoovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade. Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods!"

Vernederen, verootmoedigen, is het in practijk brengen van nederigheid, ootmoedigheid, het is een erkennen van onze eigen fouten en tekortkomingen; het is het oordeel over onszelf voor God.

Een hart, dat ootmoedig is, is een hart, waarin geen hoogmoed heerscht, maar waarin een diep gevoel van onwaardigheid en zwakheid wordt gevonden. En dan kan men met vertrouwen een beroep doen op de genade van God. Dan komt ook te zijner tijd de verhooging. (1 Petrus 5 : 5b en 7.)

Er is echter niet alleen een persoonlijke vernedering noodig, maar ook een gemeenschappelijke. Wat is er toch geworden van de Christenheid, van het huis van God, waarin God wonen wilde te midden der menschen? Een groot huis, waarin vaten zijn tot eer, en vaten tot oneer! Het wordt vergeleken bij een grooten boom, in welks takken de vogelen des hemels - beeld van booze machten - zich hebben genesteld. Het huis van God op aarde, toevertrouwd aan de menschen, is een ruÔne geworden. hoeveel verkeerde leeringen worden er in geleerd, en hoe toont zich het kwaad er onder allerlei vormen.

Maar laat ons nu niet de hoogmoedige gedachte hebben, dat wij daar niet, de oorzaak van zijn. Als wij Gods gedachten kennen in betrekking tot Zijn huis en tot het getuigenis, dat wij hebben af te leggen te midden van de Christenheid, van welke wij deel uitmaken, zullen wij ons diep verootmoedigen.

Hoe leggen wij getuigenis af?

Hoe verkondigen wij den dood des Heeren?

Openbaren wij het, dat wij kinderen Gods zijn; Zijn navolgers, in liefde?

Handhaven wij de eenheid des Geestes in den band des vredes?

Onze harten kunnen deze vragen niet beantwoorden, zonder dat we ons neerbuigen met beschaamdheid en schuldgevoel.

Evenals DaniŽl, Ezra en Nehemia, hebben wij ons te verootmoedigen over onze eigen zonde, en ons ťťn te maken met de zonde van het volk des Heeren. "Wij hebben gezondigd Ö wij hebben niet gehoord." "Ik beken mijn zonde en de zonde van mijn volk IsraŽl." "Wij hebben tegen U gezondigd; ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd. Wij hebben het ganschelijk tegen U verdorven."

Vernederen we ons dan door te luisteren naar de vermaningen van het Woord, dat levend en krachtig is, scherper dan eenig tweesnijdend zwaard, en dat een oordeelaar is van de gedachten en overleggingen van ons hart.

 

M. K.

(Vertaald uit den Franschen "Bode" - Dec. 1937.)