DE BROEDERLIEFDE BLIJVE

 

Er zijn in deze onvaste wereld vastigheden, die blijven. De brief aan de Hebren noemt ze ons. Het Woord Gods en Jezus Christus. Tot hoeveel vertroosting is ons dit reeds geweest in den loop der jaren, te midden van de moeilijkste omstandigheden!

Maar er is ng iets, dat blijft; dat is de broederliefde. Als een vastigheid voor alle tijden heeft God deze liefde onder de menschen hier beneden gegeven. De broederliefde is er, omdat, wie uit God geboren is, liefheeft allen, die uit God geboren zijn.

In de practijk echter kan deze liefde worden verstoord. Er is zooveel eigenliefde, zooveel eigengerechtigheid, zooveel hardheid. En daarom vinden we aan het eind van den brief aan de Hebren de vermaning: De broederliefde blijve! Trots alle hinderpalen, trots alle aanvallen van den vijand, trots alle zondige neigingen en afwijkingen, moet de broederliefde blijven.

Er is wel geen brief, waarin over deze liefde meer wordt gesproken dan de eerste brief van Johannes. In dezen brief, gericht aan de familie Gods, en treffende aanwijzingen bevattende voor het gelukkig gemeenschapsleven van Gods kinderen, wordt telkens weer gewezen op een der voornaamste kenmerken van het kindschap Gods: de broederliefde.

Johannes gaf geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat van den beginne was, van de eerste dagen van het Christendom: "Dit is Mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u liefgehad heb Dit gebied Ik u, dat gij elkander liefhebt Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt Hieraan zullen allen erkennen, dat gij Mijn, discipelen zijt, zoo gij liefde hebt onder elkander."

De liefde, die de Vader ons gaf, is z groot, dat wij kinderen Gods genoemd mogen worden. De liefde van den Heer Jezus heeft Zich drin op het hoogst geopenbaard, dat Hij Zijn leven voor ons heeft gesteld.

Zouden wij dan niet ons leven voor de broeders stellen? Zouden wij dan, die liefhebben Dengene, die geboren heeft, niet k liefhebben degenen, die uit Hem geboren zijn?

Deze liefde is echter geen weekheid; geen slapheid. "Wie zijn broeder waarlijk liefheeft," zegt de apostel, "blijft in het licht, en er is in hem geen aanleiding om zich te stooten." "Wie echter zijn broeder niet liefheeft. - zijn broeder haat, merkt de apostel zoo ernstig op! - kan heel gestreng optreden, met schijn van recht, maar wandelt niet in het licht, en weet dus ook niet, waar hij heengaat, omdat zijn oogen verblind zijn. Als Petrus opnoemt, wat wij te voegen hebben bij ons geloof, zijn de laatste in de rij: de godzaligheid, de broederliefde en de liefde. Als nu deze dingen niet bij ons zijn, zijn wij blind en kortzichtig.

De liefde verblijdt zich niet over de ongerechtigheid, maar met de waarheid. Doch daarbij verdraagt zij alle dingen, gelooft zij alle dingen, hoopt zij alle dingen, duldt zij alle dingen. De liefde, die het kwade niet toerekent, is tegelijk lankmoedig en goedertieren.

In onzen kouden tijd op geestelijk gebied, moge toch de broederliefde blijven, opdat wij elkander verwarmen. Alle afgunst en wantrouwen, - de dood voor de gemeenschap, - zullen dan wijken.

We willen echter die liefde niet van anderen verwachten, maar ze zelf geven.

Paulus zoo weinig begrepen en zoo veel tegengewerkt heeft het getoond, dat het persoonlijk bewustzijn der ongeveinsde broederliefde een onweerstaanbare kracht vormt.

J.N.V.