OVERDENKINGEN OVER DE PSALMEN

 

Psalm 10

 

We vinden in dezen Psalm voorgesteld, dat de natuurlijke mensch een vijand van God is; maar dat niet alleen: ook hoe hij zich openbaart in booze werken.

De goddelooze vervolgt hittiglijk in hoogmoed den ellendige. Hij lastert den Heer. Al zijn gedachten zijn, dat er geen God is. Zijn wegen maken te allen tijde smart. Hij zegt in zijn hart: "Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn." Zijn mond is vol van vloek en bedriegerijen en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid. In verborgen plaatsen doodt hij den onschuldige; hij legt lagen om den ellendige te berooven. Hij zegt in zijn hart: "God heeft het vergeten; Hij heeft Zijn aangezicht verborgen; Hij ziet niet in eeuwigheid."

Zie daar ons in de eerste elf verzen geteekend wie den mensch van nature is. Men behoeft alleen maar Rom. 3 er aan toe te voegen, en men heeft een volkomen getuigenis in het Oude en Nieuwe Testament van de vijandschap van het menschelijk hart.

Nu weten we, dat het hart de bron is, waaruit alles voortkomt. Spreuken 4 : 23 zegt ons, dat uit het hart de uitgangen des levens zijn. En daarom wordt de geloovige vermaand, zijn hart te behoeden. Al wat de mensch openbaart in woord en daad, heeft zijn uitgangspunt in het hart.

Wat nu God aangaat, - de mensch kan het niet verder brengen, dan Hem te hoonen met de tong! Hij kan eigenlijk niets tegen God doen. Daarom lezen we in vers 3: "Hij lastert den Heer." Dat is het eenige wat hij vermag! Is het niet hemeltergend, zooals de mensch zich soms kan uitspreken tegen of over den Almachtige? En vervult het den geloovige niet met heilige verontwaardiging? Alleen moeten we ons verbazen over de lankmoedigheid Gods, die dat alles aanhoort en verdraagt. Ja, een enkele maal grijpt Hij ernstig in, maar Zijn lankmoedigheid wacht, over het geheel genomen, of de mensch zich niet bekeeren wil.

Wat zijn medemensch aangaat, kan de mensch veel verder gaan! Hij kan anderen smarten aandoen; hij kan bedriegen, ja, hij kan den onschuldige dooden, zijn oogen verbergen tegen den arme, en den ellendige rooven. Immers, hij zegt in zijn hart: "God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen."

Zoodra God een getuigenis heeft voor Zijn Naam op aarde, in welken tijd ook, stelt de vijandschap van den mensch er zich tegenover. Is het zoo niet geworden met het volk Gods in de oude bedeeling? En heeft de Zoon Gods niet hetzelfde moeten ondervinden? Heeft Hij niet moeten klagen: "De smaadheden dergenen, die u smaden, zijn op Mij gevallen!"? En is het ook n nog niet zoo? Wanneer God het maar een oogenblik toelaat, is verdrukking het deel dergenen, die kennen en toebehooren. De woorden van den Heer Jezus zijn ook n nog waar: "In de wereld zult gij verdrukking hebben." (Joh. 16 : 33.) En zelfs waar de ware belijders als trouwe getuigen in dagen van rust en vrede zich openbaren, zullen zij om Gods wil den smaad van Christus moeten dragen. De wereld is nu eenmaal vijandig tegen God, en kan niet anders dan, onder aanvoering van haar grooten leider, zich z openbaren.

 

Maar wat blijf t er dan voor den geloovige over? Het 14de vers van onzen Psalm leert het ons. De Heer ziet het! Hij aanschouwt de moeite en het verdriet der Zijnen.

De vijand zegt in vers 11: "Hij ziet het niet," maar het geloof is zich bewust, dat, 's Heeren oog zoowel den verdrukker als de verdrukten aanschouwt.

Het doel echter van Gods wegen met de geloovigen is, dat zij leeren om alles in Zijn hand te stellen, lot en leven aan Hem overgeven, en leeren rusten in Zijn liefde! De Heer is een Helper voor allen. En de zwakste onder hen, de arme en de wees, ontgaan Zijn blikken niet. Hij kan uithelpen, maar zal zker doorhelpen allen, die op Hem vertrouwen. En het einde zal zijn: eeuwige rust bij de openbaring des Heeren Jezus, die van den hemel zal komen met de engelen Zijner kracht in vlammend vuur wraak nemende over hen, die God niet kennen, en het Evangelie onzes Heeren Jezus Christus niet gehoorzamen. (2 Thess. 1 : 7, 8.)

 

J.A.V.