OVERDENKINGEN OVER DE PSALMEN

 

Psalm 9

 

Wanneer en bij welke gelegenheid David dit lied heeft gedicht, wordt, ons niet medegedeeld. Maar duidelijk is het, dat zijn hart vol is van dank, omdat zijn vijanden achterwaarts gekeerd zijn, en hij op bijzondere wijze de uitreddende hand van zijn God heeft ervaren. Het is een loflied. Want de Rechter der gerechtigheid heeft hem recht gedaan.

Niet alleen echter is hijzelf verblijd over Gods daden, maar hij zoekt ook anderen op om met hem vroolijk te zijn en den Heer te psalmzingen.

Het moet ons opvallen, dat we in dit lied geen sprake vinden van hetgeen de vijand heeft gedaan. Dat zullen we in den volgenden Psalm vinden. Het gaat hier over Gods daden. En dat stemt het hart tot lof en dank. De Heer heeft de volken gescholden, de goddeloozen verdaan, en hun naam uitgedelgd.

Spreekt dit ons niet over de toekomst? Maar dan vooral in betrekking tot IsraŽl? De tijd komt, dat alle vijanden van het volk zullen gelegd worden tot een voetbank van de voeten van IsraŽls grooten Koning, den waren David. Dan zal er jubel zijn in het hart van het volk, en zullen zij elkander toeroepen: "Psalmzingt den Heer, die te Sion woont; verkondigt onder de volken Zijn daden."

Daaraan moet echter eerst voorafgaan hun wederkeeren tot God; hun aannemen van den Messias, Dien zij gekruisigd hebben. Nu staat het volk zelf nog vijandig, en kan hun geen recht gedaan worden; maar als het zich tot God bekeert, zal Hij de bloedstortingen, hun aangedaan, gedenken, en het geroep der ellendigen niet vergeten. De gansche lof des Heeren zal dan in de poorten der dochter van Sion verteld worden, en men zal zich verheugen in 's Heeren heil.

Er is echter in dezen Psalm ook veel troost en bemoediging gelegen voor de geloovigen in onzen tij tijd, die in verdrukking zijn. Wij hebben in ons land het groote voorrecht, niet door vijanden verdrukt te worden. Wij mogen door Gods genade een rustig en stil leven leiden. De vijand gaat in ons midden niet om als een brullende leeuw. Wel echter ervaren wij zijn listen.

Maar als we denken aan andere landen, hoe velen van Gods kinderen worden daar vervolgd! Hoe velen zuchten en worden verdrukt om 's Heeren wil! Hoe velen zijn opgesloten in kampen, en verbannen naar onherbergzame oorden. Vergeten we hen toch niet! Maar is het dan niet heerlijk, dŠt we hier in vers 10 vinden: "De Heer zal een hoog vertrek zij in voor den verdrukte, een hoog vertrek in tijden van benauwdheid"? Dat is Hij te allen tijde. Dat was Hij ten tijde van David. Dat zal Hij zijn voor Zijn volk in de toekomst. Dat is Hij ook nu voor de Zijnen. Een toevlucht! De Onveranderlijke, de Eeuwig Getrouwe. En: Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde, en tot in eeuwigheid!

"Degenen, die Hem kennen, zullen op Hem vertrouwen, omdat de Heer niet verlaat degenen, die Hem zoeken." (Vs 11.) Er zijn tijden, waarin het schijnt, of de Heer Zich het lot der Zijnen niet aantrekt; maar schijn bedriegt. Hij verlaat de Zijnen niet!

"Uw doen is steeds gezegend,
Al schijnt het soms ook hard."

Laat allen, die in verdrukking zijn, dezen negenden Psalm overdenken, en dan getroost worden!

Het gaat hier wel niet om beproevingen des geloofs in krankheid en lijden. Natuurlijk hebben we ook dan met denzelfden God te doen. Maar het gaat hier om hen, die tijdelijk blijkbaar zijn overgegeven in de hand der vijanden. De dag der verlossing is echter ook voor die allen nabij, en de verlossing zal volmaakt en eeuwig zijn. Dan komt er aan hun loflied geen einde. Maar voor de vijanden begint dan de dag van het gericht: eerst op aarde, (Vs 18.) en daarna in de eeuwige duisternis. (Openb. 20 : 11-15.)

 

J. A. V.