OVERDENKINGEN OVER DE PSALMEN

 

Psalm 8

 

Deze korte psalm geeft ons een terugblik in het verleden en is tegelijk profetisch. Een terugblik naar de oude schepping, een toekomstblik naar de nieuwe.

Laat ons eerst iets zeggen over den grooten Schepper, Wiens Majesteit is boven de hemelen. God heeft den hemel tot Zijn troon, en de aarde is voor Hem slechts een voetbank Zijner voeten. Welk een groote, heerlijke God! De hemel, het heelal, is het werk Zijner vingeren, het werk Zijner handen. En de maan en de sterren heeft Hij bereid. Het wordt ons meegedeeld, alsof het iets heel gewoons is. En voor Hem is dat ook zoo. Voor Hem is niets te groot, maar ook niets te klein. Die groote God nu wil geloofd en geprezen zijn uit den mond van kinderkens en zuigelingen, opdat het groote en sterke beschaamd worde, en opdat zij, die door hun vermeende wijsheid en vermetelheid vijandig staan tegenover God, geen plaats zouden hebben in de rij der lofzingenden. Lof en aanbidding zijn Hem aangenaam. Maar Hij verheerlijkt Zich in de eerste plaats niet in het groote doch in het kleine; in datgene wat voor den mensch gering en nietig is.

Laten we thans, nu we den Schepper hebben gezien, een oogenblik stilstaan bij de schepping. Er wordt gesproken van den hemel, het heelal, van maan en sterren, van alles, wat op, onder en boven de aarde is. Schapen en ossen, de dieren des velds, de visschen der zee en de vogelen des hemels. Er is gevaar, dat we gewoon raken aan al deze dingen, maar wie een oog voor het geschapene heeft, komt telkens tot bewondering en aanbidding. Hoe meer we vergrooten wat de mensch maakt, hoe leelijker het wordt. Maar vergrooten we het door God geschapene, hoe klein ook, hoe mooier het wordt. Geve God ons meer een open oog voor de schoonheid Zijner schepping!

Nu wordt ook de mensch genoemd. God heeft den mensch een weinig minder gemaakt dan de engelen. En toch heeft Hij de aarde met al wat er op is, niet aan engelen onderworpen, maar aan den mensch. De mensch heerscht over de werken van Gods handen.

 

Maar laat ons nu een blik in de toekomst slaan. HebreŽn 2 geeft ons daartoe de vrijmoedigheid. Daar vinden we Psalm 8 toegepast, op den Zoon des menschen, Jezus Christus. De Zoon van God - minder gemaakt dan de engelen; Zoon des menschen geworden. Maar die Zoon des menschen is door God met heerlijkheid en eer gekroond; God heeft Hem gesteld over de werken Zijner handen. Wanneer de vernieuwde hemelen en aarde er zullen zijn, zal de verheerlijkte Zoon des menschen het Hoofd zijn over alles. - Wij verblijden ons in het vooruitzicht van die vreugde. Alle dingen zullen dan in handen zijn van den Heer Jezus. En als Hij zal geopenbaard worden in heerlijkheid, zullen de Zijnen met Hem geopenbaard worden.

 

Psalm 8 begint en eindigt met de heerlijke woorden: "O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de gansche aarde." We gevoelen dadelijk, dat dit toekomstig is. Want ný is de Naam onzes Heeren nog niet heerlijk op de gansche aarde. Integendeel! Gesmaad, gehoond en veracht wordt de Naam van Jezus. Maar eens zal Zijn Naam heerlijk zijn op de aarde. In den Naam des Heeren zal alles zich buigen. Elke tong zal Hem belijden.

 

Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen!
Men loof' Hem vroeg en sp‚,
De wereld hoor' en volg' mijn zangen
Met Amen, Amen, na!

 

J. A. V.