WERELDBEKEERING

 

Nergens in den Bijbel wordt de uitdrukking "wereldbekeering" gebruikt.

Wel is er naar de profetie voor deze aarde een wonderbare tijd van herstel te wachten, dien men den tijd van wereldbekeering zou kunnen noemen. De Heer Jezus zal dan als Koning en Heer worden gehuldigd en erkend. De kennis des Heeren zal dan deze aarde vervullen zooals de wateren den bodem der zee bedekken. Het zuchten van de schepping, die nu deelt in den vloek over de zonde van den mensch, zal dan ophouden.

Maar nergens wordt aan de Gemeente gezegd, dat deze heerlijke toestand, deze vernieuwde schepping, zal komen als gevolg van haar getuigenis en activiteit.

Ware deze wereldbekeering waarlijk haar taak, ware het haar werk om de volken er toe te brengen, de zonde van den oorlog te veroordeelen en dien weg te verlaten, dan zou zij moeten belijden, ten zeerste te hebben gefaald.

Doch er zal een tijd aanbreken, dat alle volken den Heer zullen dienen; dat de heele aarde vervuld zal zijn van de heerlijkheid des Heeren. Enkele Schriftuurplaatsen mogen als bewijs dienen. "Alle einden der aarde zullen het gedenken en zich tot den Heer bekeeren, en alle geslachten der heidenen (volken) zullen voor Uw aangezicht aanbidden; want het koninkrijk is des Heeren, en Hij heerscht onder de heidenen (volken)." (Ps. 22 : 28 en 29.) "De volken zullen U, o God loven. De natin zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natin op de aarde, die zult Gij leiden. De volken zullen U, o God! loven; de volken altemaal zullen U loven alle einden der aarde zullen God vreezen." (Ps. 67 : 4-8.) Psalm 72, vol van de rechtvaardige heerschappij van den Messias, den Christus Gods, eindigt met de woorden: "De gansche aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld." In Danil 7 is sprake van den Zoon des menschen, aan Wien door den Oude van dagen (den eeuwigen God) gegeven wordt heerschappij en eer en het koninkrijk, dat Hem alle volken, natin en tongen eeren zullen: "Want Zijn heerschappij is een, eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn koninkrijk zal niet verdorven worden." En Zacharia profeteert in hoofdstuk 2 : 10 en 11: "Zie, Ik kom, dochter Sions, (= Jeruzalem, vertegenwoordigster van het volk Israls,) en Ik zal in het midden van u wonen, en vele heidenen (volken) zullen te dien dage den Heer toegevoegd worden, en zij zullen Mij tot een volk wezen, en Ik zal in het midden van u wonen."

Hoe zal nu deze toestand op aarde komen?

Dit is ons duidelijk voorzegd in de profetie.

Vrede op aarde zal komen door den Vredevorst. Zooals Christus gekomen is om door Zijn zoendood vrede te geven voor het zieleleven, zoo zal Hij wederkomen om vrede te geven voor deze aarde.

Velen meenen, dat de mnsch de wereldverbetering zal tot stand brengen. En niemand zal betwisten, dat in stoffelijk welzijn de wereld in menig opzicht is vooruitgegaan. Maar niemand zal beweren, dat de wereld hierdoor bekeerd is. De wereld heeft zich van het begin af, na den zondeval, toegelegd op verfraaiing, verbetering. Maar waren vooruitgang heeft dit alles niet gebracht. Ontegenzeggelijk bracht het Christendom een groote verandering ten goede. Maar wereldbekeering kwam er niet door tot stand. Wat te voren openbaar geschiedde, wordt nu in het duister gedaan. De wereld werd niet zedelijk gewonnen. God kwam in Christus tot de wereld; met het doel, haar met Zich te verzoenen en haar zonde haar niet toe te rekenen. En wat deed zij? Christus werd buiten den wijngaard geworpen. En nu ligt de wereld onder het oordeel. "Rechtvaardige Vader!" heeft de Heer Jezus uitgeroepen, "en de wereld heeft U niet gekend!" De menschen waren toen niet beter dan in de dagen van Kan. En ze zijn ook nu nog niet beter. Jakobus en Johannes klagen er beiden in hun brieven over, dat al wat uit de wereld is, niet uit den Vader is. En zij prediken geen wereldverbetering of wereldbekeering. Integendeel, zij spreken over wereldgericht. De Rechter staat vr de deur. Dag en uur weet niemand; de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht. Maar God hft een dag gesteld, waarop Hij het aardrijk zal oordeelen. Hiermede wordt niet gedoeld op het eindoordeel, op het oordeel der dooden vr den grooten witten troon, maar op het oordeel over deze zienlijke wereld, over Isral en het Christendom, over de volken.

Jesaja noemt dit den dag der wraak onzes Gods, (61 : 2; 63 : 4.) De Heer Jezus kwam om het aangename jaar des Heeren te brengen; maar de dag der wraak werd nog uitgesteld. God gaf een genadetijd voor deze aarde. De dag der wraak zl echter komen. Christus zal verschijnen in heerlijkheid op aarde, en Zijn vijanden verdoen. Maar tegelijk zal dit zijn de dag des ontfermens voor geheel Isral, - voorzoover het door het oordeel niet is getroffen, - dat dan zal zalig worden. (Rom. 11 : 26.) Het zal zijn de dag van het herstel aller dingen voor deze aarde. (Hand. 3 : 21.)

In Matthes 25 is sprake van bekeerde volken. Vr den Zoon des menschen zullen al de volken vergaderd worden. Daar is geen sprake van zielen, in den dood gegaan, maar van levende volken. Er wordt gezegd, dat de Zoon des menschen deze volken van elkander zal scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. Duidelijk wordt aangetoond, dat er een bekeering van de volken heeft plaats gehad, want een deel wordt gerekend tot de "schapen;" zij zijn gezegenden des Vaders, die het Koninkrijk zullen beerven." Dus vr de wederkomst des Heeren op aarde zijn dezen bekeerd geworden. Wanneer? In onzen genadetijd? Maar dan waren ze meegegaan bij de komst des Heeren Jezus in de lucht! Immers zullen dan niet alleen alle dooden in Christus opstaan, maar ook alle levend overgeblevenen, dat zijn alle levenden die in Christus gelooven, den Heer tegemoet gevoerd worden in de lucht. (1 Kor. 15 : 51-54; 1 Thess. 4 : 13-17.) Deze levende volken zijn dus later bekeerd. En wel in den tijd van het gericht, die aanbreken zal voor deze aarde, nadat de Heer Jezus in de lucht is gekomen om de Zijnen tot Zich te nemen. De tijd der genade is dan voorbij, het zal een tijd zijn, waarin het Evangelie van het Koninkrijk wordt gepredikt. In Matthes 24 : 14 lezen we daarover: "Dit Evangelie des Koninkrijks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde zijn." Na de opneming der Gemeente zal een vreeselijke tijd aanbreken; een ure van verzoeking: een groote verdrukking zooals de wereld die nooit gekend heeft. In dien tijd zal God Zijn getuigen hebben. Wie die getuigen zijn zullen? Niet de leden der Gemeente, want die zijn dan opgenomen. Niet de naam-Christenen, die ongeloovig zijn achtergebleven, want die zijn dan onder het oordeel der verharding. Er is in Matthes 24 en 25, waar over de toekomst van Isral wordt gesproken, sprake van "broeders." Met dit woord wordt blijkbaar gedoeld op de Joden. Geloovige Joden zullen gebruikt worden voor de bekeering der volken. Een uitverkoren gezelschap van het volk der Joden, dat de vreeze Gods kent, zal het Evangelie van het Koninkrijk onder de volken verbreiden. Zooals de eerste predikers van het Evangelie der genade Joden zijn geweest, zoo zal het Evangelie van het Koninkrijk, evenals in de dagen van Johannes den Dooper en Jezus, door Joden worden verkondigd.

Wt dit Evangelie eigenlijk is, blijkt uit Openbaring 14 : 6 en 7: "En ik zag een anderen Engel, vliegende in het midden des hemels, en hij had het eeuwig Evangelie om te verkondigen aan degenen, die op de aarde wonen, en aan alle natie en geslacht en taal en volk, zeggende met een groote stem: "Vreest God en geeft Hem heerlijkheid; want de ure Zijns oordeels is gekomen; en aanbidt Hem, die den hemel en de aarde en de zee en de fonteinen der wateren gemaakt heeft."

Het is een Evangelie van berouw en bekeering tot God. Het Koninkrijk staat te komen en de harten moeten bereid worden om dit in te gaan met ontzag voor God en Zijn Christus.

Het zal voor de Joden een tijd zijn van vervolging. We lezen er over in Psalmen als 55-57, 64, enz. De gebeden stijgen op tot God. De hoop is alleen op God. En verstrooid onder de volken, leggen ze getuigenis af van hun God. "Zie van den hemel af op ons neder" bidden zij, "Gij, o Heer! zijt toch onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw naam Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt Heer! wees niet zoo zeer verbolgen, en gedenk niet eeuwiglijk der ongerechtigheden; zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk." (Jes. 63 en 64.) In het eerste gedeelte van Openb. 7 wordt over deze Joden gesproken, als de Gemeente reeds weg is van deze aarde. En in het tweede gedeelte van dat hoofdstuk vinden we een ander gezelschap. Het zijn de volken, die k uit de verdrukking komen. Zij hebben het laatste getuigenis van de Joden gehoord en geloofd. Als gevolg daarvan zijn zij gezegend met eeuwigen zegen. Zij staan echter niet rondom den troon, zooals de oudsten, maar vr den troon; en hun heerlijkheid. wordt beschreven zooals die zijn zal in het duizendjarig rijk.

In den tijd der verdrukking nu zullen de geloovige Joden, de uitverkorenen uit Matth. 24 en 25, ronddolen. En die uit de volken, die ze vriendelijk zullen behandelen, (zooals eens Rachab uit Jericho het den Joodschen verspieders deed,) zullen zalig worden, zullen in het Koninkrijk ingaan. Er zijn wel vele afvalligen, die den Antichrist zullen aanbidden en met hem geoordeeld worden. Maar er zullen ook vele getrouwen zijn, die God zullen vreezen; zij zullen gezegend zijn en tot een zegen gesteld worden allen volken.

Isral zoo lang een vloek, zal dan, naar zijn oorspronkelijke bestemming, een zegen zijn voor alle volken.

"Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die den vrede doet hooren; desgenen, die tot Sion zegt: uw God is Koning! De Heer heeft Zijn heiligen arm ontbloot voor de oogen aller heidenen (volken), en al de einden der aarde zullen zien het heil, onzes ;Gods." (Jes. 52 : 7-10.)

Ja, zelfs in het begin van het Koninkrijk zullen er nog deelen der wereld zijn, die met het Evangelie des Koninkrijks bereikt moeten worden, en God zal daarvoor Isral gebruiken. "Ik zal, een teeken aan hen zetten en zal ze zenden tot de heidenen (volken), tot de ver gelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord en Mijn heerlijkheid niet gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen (volken) verkondigen." (Jes. 66 : 19.)

Hoeveel heerlijks is er nog te wachten voor de wereld! De val der Joden is de rijkdom der wereld geworden, hun vermindering de rijkdom der heidenen (volken). Hoeveel te meer dan hun volheid! "Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal hun aanneming anders wezen dan het leven uit de dooden?" (Rom. 11 : 12-15.)

Door den Geest zal Isral het hoofd worden van alle volken, en zijn dienst tot een zegen gesteld worden voor de geheele wereld. In verbinding met de wederkomst van den Wereldverlosser Jezus Christus.

Dan zal het woord van Jesaja 61 vervuld worden: "Gijlieden zult Priesters des Heeren heeten; men zal u dienaren onzes Gods noemen. Gij zult het vermogen der heidenen (volken) eten, en in hun heerlijkheid zult gij roemen Hun zaad zal onder de heidenen (volken) bekend worden, en hun nakomelingen in het midden der volken; allen die het zien zullen, zullen ze kennen, dat zij zijn een zaad, dat de Heere gezegend heeft Want gelijk de aarde haar spruit voortbrengt, en gelijk een hof hetgeen in hem gezaaid is, doet uitspruiten, alz zal de Heere HEERE gerechtigheid en lof doen uitspruiten voor al de volken."

J.N.V.