VRAGEN EN ANTWOORDEN

 

J.B. te W. vraagt, wie de andere discipel is, van wien sprake is in Joh. 18 : 16. Hij heeft de gedachte gehoord, dat deze discipel Johannes zou zijn.

 

In hetzelfde hoofdstuk, door u genoemd, wordt reeds in vers 15 over dien anderen discipel gesproken. We lezen daar: "En Simon Petrus volgde Jezus en de andere discipel. Deze discipel nu was den hoogepriester bekend. - De uitdrukking "andere discipel" vinden we in het Evangelie van Johannes meermalen; en uit Joh. 20 : 2, 3, 4 en 8, vergeleken met Joh. 19 : 35 en 21 : 24, blijkt duidelijk, dat Johannes met dezen anderen discipel zichzelf bedoelt. Vijf keer in zijn Evangelie spreekt hij over "den discipel, dien Jezus liefhad," omdat hij zijn eigen naam niet wilde noemen, waar hij de aandacht vestigde op den Zoon van God. Blijkens Joh. 19 : 27 had Johannes in Jeruzalem een eigen huis, en was hij den inwoners van Jeruzalem en ook den hoogepriester bekend.


G.G. te 's-G. vraagt, of het volgens de Schrift is, dat de broeders en zusters, wanneer zij vergaderd zijn, gescheiden van elkaar zitten, of anders om welke reden dit zoo is.

 

Schriftuurlijk valt hierover niets te zeggen, dan alleen dat, hoewel in Christus Jezus man noch vrouw is en allen n zijn in Hem, nochtans de geloovigen in de meeste gevallen als "broeders" worden aangesproken, en in den gemeentelijken dienst de vrouwen moeten zwijgen. Waarschijnlijk heeft dit er ook toe geleid, dat de broeders, die aan den dienst deelnemen, bij elkander gingen zitten, niet overal verstrooid, waardoor,dan vanzelf de zusters afzonderlijk kwamen te zitten. - In Egypte zitten in kerken en vergaderingen de zusters zelfs geheel afgescheiden van de broeders door tusschenschot of gordijn. Dit staat in verband met de Oostersche zede. - in de Engelsche vergaderingen echter zitten broeders en zusters door elkander, niet alleen bij den predikdienst, maar ook bij de broodbreking en de gebeden; wel nemen zooveel mogelijk de broeders, die aan den dienst deelnemen, in de omgeving van de tafel plaats.


C.P.K. te Z. vraagt, of het geoorloofd is, bij broeders of zusters, aan wie de gemeenschap is ontzegd, bezoeken af te leggen of bezoeken van hen te ontvangen.

 

In het werkje: "Tweerlei tucht" kunt u over dit onderwerp allerlei opmerkingen en aanwijzingen vinden. Bedoelt gij met de opmerking: "de gemeenschap ontzegd dat er uitsluiting heeft plaats gevonden, dan is het woord uit 1 Kor. 5 zeer duidelijk, dat men met de zoodanigen geen omgang zal hebben, zelfs niet, met hen zal eten. Met omgang wordt hier natuurlijk bedoeld: de broederlijke gemeenschap; vandaar ook, dat de rechterhand der gemeenschap geweigerd wordt. (Zie voor deze uitdrukking Gal. 1 : 9.) -Hierbij is natuurlijk geen sprake van omgang met den zoodanige als familie, of in zaken, enz.; nochtans is daarbij groote omzichtigheid gewenscht, opdat de uitgeslotene beseffe, dat de broederlijke omgang moet geweigerd worden en hij buiten den kring der geloovigen staat: want dit te ervaren en te gevoelen moet tot zijn herstel dienen. Men schaadt de zielen, door met hen, die onder de tucht zijn, te spreken; soms met hen mee te spreken. Om der eenheid wil schare men zich aan de zijde van hen, die om 's Heeren wil de tucht uitoefenden.

Natuurlijk kunnen uitgesloten een bezoek willen ontvangen of brengen, om met droefheid hun schuld te erkennen. Dan moeten we de zoodanigen met veel liefde tegemoet komen, ofschoon ook daarbij voorzichtigheid geboden is, en men goed zal doen, een ervaren broeder er mee in kennis te stellen. Indien dan een paar getuigen verootmoediging opmerken, kan het geval tot verdere behandeling bij de broeders en in de gemeente worden gebracht.

Ofschoon tucht noodzakelijk en geboden is, moet ze toch nooit iets rechterlijks worden. Er is geen sprake van een recht van uitsluiting, evenmin als van een recht om toegelaten te worden. Het is de liefde, die uitsluit, en de liefde, die opneemt. En daarom, als iemand om Gods wil, om de eer Zijns naams, opdat zijn geest behouden moge worden in den dag des Heeren Jezus, moet worden uitgesloten, dan moeten de geloovigen niet rusten in het gebed tot terechtbrenging van den zoodanige. Bij de geloovigen te Korinthe werd na de vermaning van den apostel door Gods Geest een groote naarstigheid gewerkt, ten eerste om met, verontwaardiging vanwege de zonde, die gepleegd was, uit te sluiten, zoodat de straf op de zonde volgde; ten tweede om met vrees vervuld te waken, opdat iets dergelijks niet meer in het midden zou gevonden worden; en ten derde om met verlangen uit te zien naar de wegneming van de droefheid, doordat God den uitgeslotene tot inkeer bracht en men hem vergeving zou kunnen schenken. Helaas wordt, dit doel zoo menigmaal niet bereikt door de verharding van den uitgeslotene, niettegenstaande alle bewijzen van liefde, die hij heeft ondervonden. Maar zeker zouden er meer gevallen zijn, als die te Korinthe, waar binnen het jaar de uitgeslotene weer kon worden opgenomen, als er meer ernstig gebed door de gemeente werd opgezonden tot herstel, en als er minder rechterlijk en met meer liefde werd gehandeld.