DE GROOTE VERDRUKKING

 

Het is even duidelijk te bewijzen uit het Nieuwe Testament, dat de geloovige Christen verdrukking heeft te verwachten, als dat de geestelijke zegening in Christus door genade zijn deel is. De Heer Jezus heeft tot Zijn volgelingen, toen Hij heenging van deze aarde, gezegd: "Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld hebt gij verdrukking; maar hebt goeden moed: Ik heb de wereld overwonnen." (Joh. 16 : 33.) Paulus en Barnabas zeiden tot de geloovigen in Derbe, dat wij - Christenen - door vele verdrukkingen moeten ingaan in het koninkrijk Gods. (Hand. 14 : 22.) Die verdrukkingen worden voor ons een eer genoemd, (Ef. 3 : 13; 2 Thess. 1 : 4-6.) en ook een voorrecht. (Fil. 1 : 29.) "Het woord is getrouw, dat, indien wij met Christus verdragen, wij ook met Hem zullen heerschen." (2 Tim. 2 : 12.) Wij mogen dan niet allen geroepen worden voor Hem te lijden, als we niet met Hem lijden, zullen we ook niet met Hem verheerlijkt worden. (Rom. 8 : 17.)

Maar hoe waar dit alles is, daarom zal de Gemeente nog niet de groote verdrukking hebben te beleven, waarover de Schrift spreekt. De Heer Jezus heeft tot de gemeente te Filadelfia - de gemeente, die profetisch de Gemeente voorstelt vlak vůůr het einde van den genadetijd - gezegd, dat zij, omdat zij het woord Zijner volharding bewaard heeft, bewaard zal worden door Hem voor de ure der verzoeking, (beproeving, verdrukking,) die over het geheele aardrijk komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen. (Openb. 3 : 10.) En toen Hij op den Olijfberg tot Zijn discipelen over de groote verdrukking sprak - zůů groote verdrukking, als er niet geweest is van het begin der wereld, en ook niet weer zijn zal - heeft Hij ten duidelijkste aangetoond waar en over wie die groote verdrukking zou plaats vinden. Wij moeten dus hier niet onze gevoelens laten gelden. maar bij het licht van het profetische Woord onderzoeken welke geloovigen het zijn, die uit de groote verdrukking zullen komen. (Openb. 7 : 14.)

 

In Matth. 24 en 25 wordt ons de groote Olijfbergrede des Heeren medegedeeld. Behalve Matth. 13, waarin ons de zeven gelijkenissen van het koninkrijk der hemelen worden gegeven, behooren deze hoofdstukken wel tot de meest misverstane der Schrift. We zullen daarom goed doen, in betrekking tot dit voor velen duistere, maar nochtans heerlijke, merkwaardige gedeelte van Gods Woord, te trachten de meening des Geestes te leeren kennen.

In Matth. 5-7 wordt ons de grondwet van het koninkrijk der hemelen gegeven. Evenals Mozes eens aan IsraŽl de wet gaf, gaf de Koning hier Zijn voorschriften.

In Matth. 13 wordt ons aangetoond, welk karakter dit koninkrijk zou hebben in den tijd der genade, na de verwerping van Christus als Koning door IsraŽl.

In Matth. 24 en 25 wordt ons medegedeeld, dat en hoe het aan IsraŽl beloofde koninkrijk komen zal, als Christus als Zoon des menschen in heerlijkheid zal wederkomen.

Terwijl nu de Berg-rede werd gesproken tot de discipelen in tegenwoordigheid der schare, werd de Olijfberg-rede alleen uitgesproken voor de discipelen, die den Heer Jezus vragen stelden over Zijn komst en over de voleinding der eeuw.

In Markus en Lukas worden ons gedeelten van de Olijfberg-rede medegedeeld. Maar alleen in MattheŁs - in overeenstemming met het karakter van dit Evangelie, dat ons Christus teekent als Koning en Messias - vinden wij het volledig verslag.

In Matth. 13 wordt ons gezegd, dat de Heer Jezus uitging en Zich bij de zee nederzette - een beeld van Zijn uitgaan uit IsraŽl, om als de Zaaier Zijn zaad onder al de volkeren te zaaien.

Matth. 24 en 25 - ťťn geheel - wordt begonnen met de mededeeling, dat de Heer Jezus van den tempel vertrok - een beeld van Zijn geheel breken met Zijn aardsche volk als volk, tot op den tijd, dat Hij voor hen zal wederkomen als Koning en het volk zal zeggen: "Gezegend Hij, die komt in den naam des Heeren."

 

De meest verbreide gedachte over dit gedeelte van Gods Woord is, dat alles in het verleden vervuld is bij de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70. Maar bij aandachtige lezing blijkt helder en klaar, dat dit een onjuiste verklaring is. In Lukas 21 : 20-23 heeft de Heilige Geest ons medegedeeld, wat heeft plaats gevonden in het jaar 70 bij de verwoesting van Jeruzalem. DŠŠr wordt gesproken over de heirlegers, die Jeruzalem zouden omringen, terwijl vervolgens wordt medegedeeld, wat later over Jeruzalem zal komen: de vertreding der stad Gods door de volken, totdat de tijden der volken zullen vervuld zijn. Maar in Matth. 24 : 1-31 hebben we allťťn een beschrijving van hetgeen Jeruzalem zal treffen nadat de Gemeente zal zijn opgenomen. - In een zeer oud handschrift "De twaalf apostelen," uit de tweede eeuw, wordt dan ook gezegd: "Deze hoofdstukken zijn niet vervuld bij de belegering van Jeruzalem in het jaar 70, maar geheel toekomstig." Dit blijkt wel ten duidelijkste uit de aanhaling van DaniŽls profetie over den gruwel der verwoesting die staan zal in de heilige plaats, in den tempel te Jeruzalem; (Dan. 12 : 11.) uit Jeremia's voorzegging van den tijd der benauwdheid voor Jakob; (Jer. 30 : 7.) en uit hetgeen de Heer Jezus hier zegt over de komst van den Zoon des menschen. (Matth. 24 : 27 en 30.)

Een tweede verklaring is, dat deze hoofdstukken spreken over den genadetijd, waarin wij leven. Alles wordt dan vergeestelijkt, en bij de uitverkorenen, in Matth. 24 en 25 genoemd, wordt gedacht aan de uitverkorenen voor de grondlegging der wereld. Maar men ziet dan over het hoofd het karakter dezer hoofdstukken; het feit, dat we er geheel op IsraŽlietisch gebied zijn: Judťa, tempel, sabbat, enz.; terwijl er sprake is over een koninkrijk, bereid van de grondlegging der wereld af. (Matth. 25 : 34.) Trouwens, wat wisten de discipelen af van een Christelijk tijdperk? En de Christenen worden niet gewaarschuwd voor valsche Christussen en den antichrist, maar voor valsche geesten en den anti-christelijken geest.

Onzes inziens is de eenig juiste beschouwing deze: de heele zeventigste week, in DaniŽl voorzegd, moet nog komen. (Dan. 9 : 24-27.) Na negen en zestig weken zou de Messias worden uitgeroeid. Maar dan zouden stad en heiligdom worden verwoest, en zou er krijg zijn tot het einde toe. Dan zou de antichrist een verbond maken met de velen, een week. En in het midden der week (de drie en een half jaar, de twee en veertig maanden, waarvan in de Openbaring meermalen wordt gesproken) zou slachtoffer en spijsoffer ophouden, de gruwel der verwoesting in den tempel worden opgericht, en ten slotte de antichrist worden verdaan. Tusschen de negen en zestigste en zeventigste week is de tijd der Gemeente. Is deze weggenomen, dan zal de ure der verzoeking over de geheele aarde komen, de voorzegde groote verdrukking, die een jaarweek zal duren. In die week (zeven jaren) vůůr de wederkomst van den Zoon des menschen, zullen velen uit Joden en Heidenen gelooven, zoodat wij, na de gerichten over deze aarde uitgegoten, (Openb. 6.) een bepaald getal verlosten uit IsraŽl en een ontelbare schare van verlosten uit de volken vůůr den troon vinden. Want in dien tijd zal het Evangelie des koninkrijks over het geheele aardrijk gepredikt worden, tot een getuigenis al den volken, en dan zal het einde komen. Dit Evangelie is de blijde boodschap: wie volharden zal (in dien vreeselijken verdrukkingstijd) tot het einde, die zal behouden worden. (Matth. 24 : 13 en 14.)

 

We willen ons nu bezighouden met hetgeen het eerste gedeelte van Matth. 24 mededeelt over de groote verdrukking.

In de eerste verzen (4-14) worden we verplaatst in het begin van de zeven jaren, die aanbreken na den tijd der Gemeente. In de volgende acht verzen (15-22) bevinden we ons in het midden dier week, waarna dan eenige waarschuwingen worden gegeven, (23-26) met de daaropvolgende mededeeling, dat er machtige gebeurtenissen zullen plaats vinden, het toppunt bereikend in de persoonlijke, zichtbare komst van den Zoon des menschen uit den hemel, terstond na de verdrukking dier dagen. (27-31.)

In de overige verzen van het eerste gedeelte van Matth. 24, dat geheel op de Joden betrekking heeft, wordt dan door het beeld van den vijgeboom, IsraŽl, (Luk. 13 : 6-9.) gewezen op het naderen van den zomer voor de Joden, op het feit, dat het geslacht der Joden niet zal voorbijgaan, totdat al wat voorzegd is, geschied zal zijn, want al gaan hemel en aarde voorbij, Ďs Heeren woorden geenszins, terwijl dan door hetgeen over Noach en zijn dagen gezegd wordt, geheel in overeenstemming met al wat opgemerkt is, de dagen van de komst van den Zoon des menschen worden getypeerd. (32-44.) Henoch is een beeld van de Gemeente, die vůůr het oordeel wordt opgenomen; Noach van het overblijfsel van IsraŽl, dat door de oordeelen heen moet. Noach leefde in bange tijden vlak vůůr het komend gericht des Heeren; allen, die niet geloofden, kwamen om, maar hij en zijn huis werden als een overblijfsel behouden door het water heen, en bewoonden straks de nieuwe aarde, getuigend van Gods trouw. Zůů nu zullen er straks twee klassen zijn: de ongeloovigen zullen door het oordeel worden weggenomen, omdat ze niet verstaan wat God tot hen spreekt, en de geloovigen zullen worden achtergelaten, om, nadat de goddeloozen zijn gestraft, in te gaan in het koninkrijk, dat voor hen bereid is van de grondlegging der wereld af. Allen worden met het oog daarop opgewekt om te waken, daar ze niet weten, in welke ure hun Heer komt; gereed te zijn, omdat in de ure, dat ze het niet meenen, de Zoon des menschen zal verschijnen.

 

Laat ons nu nagaan, wat over de laatste week van DaniŽl door den Heer Jezus wordt voorzegd.

Eerst wordt verhaald wat in het begin van de zeventigste week zal plaats vinden. (4-14.) "Het begin der smarten." (Vs 8.)

Velen zullen komen en zeggen: Ik ben de Christus, en zij zullen velen misleiden.

Oorlogen en geruchten van oorlogen zullen er zijn. Het eene volk zal opstaan tegen het andere, koninkrijk tegen koninkrijk.

Hongersnooden, pestilentiŽn en aardbevingen zullen zijn in verschillende plaatsen.

Vele getuigen zullen worden gedood en gehaat door al de volken. Valsche profeten zullen opstaan, en de, wetteloosheid zal toenemen.

De velen, de massa der Joodsche belijders, zullen verkoelen in hun liefde tot den God van IsraŽl.

Maar er zullen er zijn, die volharden zullen tot het einde, en die de behoudenis ingaan.

En de geloovige Joden (de "broeders" uit Matth. 25 : 40) zullen alom het Evangelie des koninkrijks verkondigen. Alle volken zullen het hooren, dat de Koning komende is, en van de ontvangst der predikers zal het afhangen, of ze zullen ingaan in het koninkrijk.

Geheel in overeenstemming hiermee is hetgeen ons achtereenvolgens wordt medegedeeld in Openb. 6 en 7. Matth. 24 loopt parallel met Openb. 6. Eerst vrede en geen gevaar (het witte paard), dan oorlogen (het roode paard), vervolgens hongersnooden (het zwarte paard), dan pestilentiŽn (het vale paard), daarna aardbevingen in verschillende plaatsen, en te midden van die vreeselijke dingen martelaren, terwijl de wetteloosheid toeneemt en alles beeft en siddert voor den toorn van het Lam.

Maar dŠn worden we verplaatst in het midden der zeventigste week, (15-22.) waarvan de profeet DaniŽl spreekt, en ook de profeet Johannes in Openb. 13.

"Wanneer gij dan den gruwel der verwoesting zult zien staan in de heilige plaats, dat dan, die in Judťa zijn, vluchten." (Vs 15.)

De Heer Jezus zegt er bij, dat deze woorden (n.l. over den gruwel, die verwoesting veroorzaakt) gesproken zijn door DaniŽl, den profeet. Er is dus geen misverstand mogelijk.

Voorts voegt de Heilige Geest door MattheŁs het woord van vermaning er tusschen: "Die leest, lette er op!" Daarmede aandacht vragende voor de verwijzing des Heeren naar DaniŽl. Men loope dus niet vluchtig over deze woorden heen, maar vergelijke hetgeen DaniŽl zegt, en overdenke het, lette er op.

 

We hebben uit DaniŽl 9 reeds een aanhaling gedaan in betrekking tot de groote verdrukking. Zien we nu nog, wat ons gezegd wordt in Dan. 11 : 31 en 12 : 11.

"En zij zullen het heiligdom ontheiligen, en de sterkte, en zij zullen het gedurig offer wegnemen, en een verwoestenden gruwel stellen."

"En van dien tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen." [1]

"Het zal een tijd der benauwdheid zijn," zoo lezen we in Dan. 12 : 1. "als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe."

De mensch der zonde, de zoon des verderfs zal geopenbaard worden. Hij verzet en verheft zich tegen al wat God genoemd wordt, of een voorwerp van vereering is. Maar dat niet alleen: hij zal zichzelf in den tempel Gods nederzetten, zichzelf vertoonende dat hij God is. (2 Thess. 2 : 3 en 4.)

Hoe vreeselijk zal het zijn, als deze zondemensch heerscht, en zijn afgoderij brutaalweg zal plegen in de heilige plaats! Hoe vreeselijk, als hij het IsraŽl, dat met den God van IsraŽl wil rekenen, zal achtervolgen, zal verdrukken, zal trachten uit te roeien!

Maar ook: hoe heerlijk, dat reeds lang te voren (Matth. 24 : 25) aan de uitverkorenen - dat is het geloovig IsraŽl - den raad gegeven is in de Olijfbergrede, door den Zoon des menschen Zelf, te vluchten naar de bergen, onverwijld; voorts, dat er innig medegevoel is in het hart des Heeren met de zwakken; dat er gebeden moet worden, dat het geen winter of sabbat zij, als de vlucht moet plaats vinden; dat die vreeselijke verdrukkingsdagen zullen worden verkort om der uitverkorenen wil.

Dat dan niemand zich late misleiden! De uitverkorenen zullen behouden worden! En de Zoon des menschen zal niet heimelijk komen, neen, zichtbaar in den hemel! En de arenden zullen komen aanvliegen op het aas van de doode lichamen dergenen, die door den Heer Jezus met het zwaard, dat in Zijn mond is, zijn gedood, als Hij wraak zal nemen over allen, die God niet hebben gekend en de blijde boodschap niet gehoorzaamd. (2 Thess. 2 : 8; 1 : 8.)

Natuurwonderen zullen alom worden waargenomen. En alle stammen des lands zullen weeklagen. (Matth. 24 : 30; Openb. 1 : 7; Zach. 12 : 10.) Maar geheel IsraŽl, IsraŽl als geheel, (het overblijfsel uit de twee stammen, dat gelooft,) zal behouden worden. Want uit Sion komt de Verlosser, die de goddeloosheden van Jakob zal afwenden. (Rom. 11 : 26.) Ja, die Zijn engelen zal uitzenden met groot bazuingeschal, om al Zijn uitverkorenen (het geloovig overblijfsel uit de tien stammen) bijeen te vergaderen uit de vier winden, van het eene uiterste der hemelen tot het andere uiterste daarvan! (Matth. 24 : 31.)


[1] In Openb. 11 : 2 en 13 : 5 wordt gesproken over twee en veertig maanden. Een maand gerekend tegen dertig dagen maakt dus een getal van duizend tweehonderd en zestig dagen. (Openb. 11 : 3.) In DaniŽl 12 wordt een maand meer gerekend, waarschijnlijk omdat in het begin van het Vrederijk nog eenige ergernissen zullen worden weggenomen.