EEN ZEER GEWENSCHT MAN

 

DaniŽl wordt driemaal genoemd een zeer gewenscht man. (Dan. 9: 23; 10 : 11 en 19.) En wel in verband met het feit, dat zijn hart uitging in gebed en smeeking tot zijn God, en dat hij de woorden Gods onderzocht en ter harte nam.

In het zesde hoofdstuk van zijn Boek vinden wij dezen zeer gewenschten man ons voorgesteld in zijn bidvertrek Ťn in den kuil der leeuwen. Doordat hem de binnenkamer, waarin hij tot God riep, niet vreemd was, kon hij ongehinderd in den leeuwenkuil vertoeven. Want in antwoord op zijn smeekingen zond God Zijn Engel om den muil der leeuwen toe te sluiten, zoodat zij dezen rechtvaardige niet beschadigden, (Dan. 6 : 23.) en door het geloof sloot deze profeet der leenwen muil toe. (Hebr. 11:33.)

Reeds als jongeling kende DaniŽl de plaats der af zondering en der afhankelijkheid, en oefende hij met zijn drie vrienden gemeenschap in gebed en dankzegging. Maar ook wat het persoonlijk gebed betrof kende hij zijn bidkamer, en betrad die driemaal daags om zijn knieŽn te buigen en het aangezicht van zijn God te zoeken. Dat is de ware vreeze Gods. Aan DaniŽl is dan ook bijzonder vervuld geworden het woord uit den 25sten Psalm: "De verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hem vreezen."

DaniŽl moet ongeveer negentig jaar geweest zijn, toen hij in den leeuwenkuil werd geworpen: en treffend is het, dat niet alleen zijn wijsheid, maar ook zijn godsvrucht hem bijgebleven was. De man van zoo hooge positie, zoo groot in het machtige Babylonische en Perzische rijk, voor wien zůůveel geestelijke gevaren waren, staat hier vůůr ons op zulk een leeftijd met onverminderde geestelijke kracht, met geloofsmoed en trouw, trouw voor God en menschen, maar ook met dezelfde afhankelijkheid als in zijn jeugd, in gebed en smeeking zijn kracht en hulp verwachtend van zijn God alleen.

Reeds in zijn jonge jaren vinden wij DaniŽl op de eerste plaats in het koninkrijk, eerst van den Koning van Babel, later van dien der Meden en Perzen. Hoe kwam hij daar, de gevankelijk weggevoerde uit Juda? Het antwoord luidt: door zijn godsvrucht. Zeker, wijsheid werd bij hem gevonden zooals bij geen ander, maar deze wijsheid gaf God hem, omdat de vreeze des Heeren in hem gevonden werd. Ook de daaruit voortspruitende trouw deed zijn koninklijke meesters besluiten, hem de eerste plaats te geven. Welk een onderscheiding, maar ook: welk een verantwoordelijkheid! Begrijpen wij nu, waarom hij driemaal daags zijn knieŽn boog? Zeker ook, om in den naam van zijn volk schuld te belijden, maar niet minder om kracht te vragen, opdat hij zijn aardsche meesters goed zou dienen en hun belangen behartigen.

Naijver van anderen is het gevolg van zijn godsvrucht, die hem eer van God deed ontvangen. Op alle mogelijke wijze wordt hij in de dagen van Darius, den Meder, bespied door zijn vijanden. Maar geen vergrijp noch misdaad wordt bij hem gevonden. Het is opmerkelijk, dat hij een der weinige Bijbelheiligen is van wien ons geen fouten worden meegedeeld. Hij zal ze wel gehad hebben, want hij was een mensch van gelijke bewegingen als wij, maar God heeft het goed gevonden, ze ons niet mede te deelen, opdat wij in hem zouden zien, wat de genade Gods en de vreeze des Heeren vermag.

De jaloersche vijanden staan dus machteloos. Ze kunnen niets vinden om hem te beschuldigen. Neen, tegen een oprecht, afhankelijk bidden is niet veel te beginnen. Nog ťťn ding blijft den vijand echter over: dat is DaniŽls eeredienst voor zijn God. Zij kennen hem als een, die zijn God vreest. Nu zullen ze hem treffen in zijn godsdienst. Een te maken wet wordt aan den koning voorgesteld met de daarbij behoorende straf. En Darius, geprikkeld door eerzucht, raadpleegt niet zijn eersten dienaar, maar teekent de wet. Alle vorsten hebben goedgevonden, zeggen DaniŽls vijanden. Welk een leugen! Dan had DaniŽl er toch zeker bij moeten zijn. Darius laat zich helaas misleiden.

Wat zal de zeer gewenschte man nu doen? Zijn gebed voor zijn open venster nalaten? Meer in het verborgen tot zijn God naderen? Het oogenblik van kiezen is daar. Trouw blijven voor God en dan de kuil der leeuwen, of het getuigenis prijsgeven en dan zijn rust en vrede kwijt! Zijn toevlucht is zijn opperzaal. Naar zijn gewoonte blijft hij ongeschokt handelen, ook nu. Zooals vroeger, en niet anders, ligt daar de negentigjarige trouwe man biddende geknield voor zijn God.

Driemaal lezen we in hoofdstuk 6 van de vijanden van DaniŽl: ze kwamen met hoopen tot den Koning. Daarin ligt de kracht der wereld. Ook nu nog. De man, die het grootste getal om zich verzamelen kan, is de sterkste. De kracht der wereld ligt in de groote hoop. Welk een verschil met den geloovige! Zijn kracht ligt in de afzondering, in de eenzaamheid, in de opperzaal, in het gebed. Dat is de kracht des geloofs.

Maar deze geloofskracht tegenover den vijand bracht DaniŽl in den kuil van het wild gedierte!

Doch God was met hem. Neen, hij had niet genoeg aan een god van dertig dagen! Dan liever in den kuil met zijn eigen God! En zou de God des hemels zulk een trouw en zulk een geloof beschamen?

Wanneer Darius, ontnuchterd, het heele doorgestoken plan te zien krijgt, maar te laat, wordt hij bedroefd, zet het hart op zijn trouwsten dienaar, en doet al het mogelijke om hem te redden. Maar hij kŠn niet. De wet der Meden en Perzen kan niet verbroken worden. De gerechtigheid moet haar loop hebben: genade kent de wet niet.

Bij de aanklacht der vijanden noemen ze hem een van de weggevoerden uit Juda. Ze hadden ook kunnen zeggen: "Uw hoogste dienaar." Maar niettegenstaande zij niets dan lof voor zijn persoon en dienst konden hebben, zetten ze een zoo verachtelijk mogelijk stempel op hem. Zůů is de wereld. In de hoogste mate heeft ook de Heer Jezus dit ondervonden, en wij moeten op niets beters rekenen. Maar de goedkeuring des Heeren is meer dan de lof der wereld.

DaniŽl wordt naar de plaats des doods gevoerd, en Darius gaat naar zijn paleis. Bij het afscheid nemen van zijn trouwsten dienaar zegt hij: "Uw God, Dien gij geduriglijk eert, Die verlosse u!" Dat is nog zijn eenige hoop. Was hijzelf dan geen god? Ja, maar een god, die niet verlossen kon! DŠt kon alleen de God van DaniŽl. Nu volgt een wonderbare nacht. DaniŽl rustig bij de leeuwen en de Koning onrustig in zijn paleis. Of DaniŽl geslapen heeft? We weten het niet. Maar Darius sliep niet, dŠt weten we.

Ziet hem daar staan, dien ouden dienstknecht des Heeren te midden van het hongerig wild gedierte, wier muilen waren toegesloten! Zie hem daar onrustig rondloopen, dien armen Darius, wien niets kan troosten in zijn droefheid en angst, hoewel er nog een straal van hoop is, want DaniŽls God is de levende God!

Als hij in den vroegen morgen den kuil nadert, zegt hij met droeve stem: "O DaniŽl, gij knecht des levenden Gods, heeft ook uw God, Dien gij geduriglijk eert, u van de leeuwen kunnen verlossen?"

Een heldere stem klinkt uit den kuil: "O Koning, leef in eeuwigheid!" Hij geeft zijn koninklijken heer alle eer, die hem toekomt! "Mijn God heeft Zijn Engel gezonden en den muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben."

Het geloof is bekroond, de trouw beloond, de wet heeft haar eischen gehad, en gebleken is, dat in den hemel zelfs gespot wordt met de wet der Meden en Perzen.

Nu komt het oordeel over de vijanden. Ze worden als 't ware vůůr DaniŽls voeten verpletterd. Dat heeft God gedaan! - Wat zal het toch zijn, wanneer straks het gericht komt over de wereld! De verschillende oordeelen, in het boek der Openbaring ons medegedeeld, zullen van den hemel uit in volkomen rust door de heiligen worden aanschouwd, en dan zal Gods Naam in het gericht worden verheerlijkt, zoo goed als nu in Zijn genadebewijzen.

 

We kunnen DaniŽl in deze geschiedenis uit drieŽrlei oogpunt beschouwen.

Als type is hij een beeld van het geloovig overblijfsel van IsraŽl in de toekomst. Evenals Noach, die door de oordeelen heen behouden werd, is ook hij door het oordeel heen gespaard, en stond hij aan de andere zijde op een nieuwen grondslag. Zeker ook een beeld van de opstanding of het nieuwe leven. Zůů zal straks het overblijfsel door vele verdrukkingen heen behouden in het land der belofte komen onder de heerlijke heerschappij van hun Messias, IsraŽls Koning, onzen Heer.

In de tweede plaats is hij een beeld van Christus, die van de zijde der menschen om der gerechtigheid wil geleden heeft. DaniŽl, omdat bij trouw was, werd onder de ontrouwen niet geduld. Hij werd daarom uit hun midden weggedaan. Hij leed om zijn trouw. Hoeveel te meer en volmaakt is dit waar geweest van onzen Heer, toen Hij op aarde wandelde. Hij was de eenige rechtvaardige en heilige onder allen. Hij heeft moeten klagen: "Om Uwentwil draag ik versmaadheid; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen." (Ps. 69 : 8, 10.) Hij leed om der gerechtigheid wil. Maar zooals DaniŽl, door menschen verworpen, door God werd uitgered, zůů is ook Christus, door menschen gesmaad en gedood, door God verhoogd aan Zijn rechterhand.

In de derde plaats - en dat is voor ons niet het minst belangrijke - kunnen we in hem zien een mensch onder het oordeel des doods. Afgezien nu van het onrechtvaardige, was hij een overtreder der wet, en daarom des doods schuldig. Treffend beeld van den mensch, die staat onder de wet: de bezoldiging der zonde is de dood. De gerechtigheid van God kan den zondaar niet verschoonen. Veelmeer dan de wet van Meden en Perzen moet de gerechtigheid van God gehandhaafd worden, en die is gehandhaafd, maar hoe geheel anders dan bij DaniŽl. Daar ontbrak de genade. Darius wilde wel, maar hij kon niet. Wat Darius echter niet kon, vermocht God. Bij den leeuwenkuil zien wij alleen gericht, op Golgotha gericht en genade. God had een Zoon. En op dien Eťnen, die zondeloos en heilig was, kwam de vloek der wet neer: en daar, waar we Hem onder het oordeel vinden, heeft de gerechtigheid Gods bevrediging gevonden. Zůů moest het, het kon niet anders, want gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid van Gods troon, maar ook genade en waarheid gaan voor Zijn aangezicht heen. En zoodra het eerste, het gericht, heeft plaats gehad, kan de genade uitstroomen en wordt het deel van den schuldigen mensch, die in Jezus gelooft.

Heerlijke voorzienigheid van Gods wege in den hopeloozen toestand van den mensch van natuur! De geloovige erkent het gaarne: ik was rechtvaardig verloren, onder het oordeel, maar ik ben ook op een rechtvaardige wijze verlost; aan Gods gerechtigheid is in niets tekort gedaan, omdat de Heer Jezus in mijn plaats trad; en ik kom in niets tekort aan Gods genade, want zij is ten volle mijn deel door Jezus Christus.

 

J. A. V.