KLEIN GELUID

 

Ik heb U lief! Dit mag ik fluistrend zeggen,
stil in mijn hart; Gij wilt het wel verstaan.
Ik kan niet bogen, Heer, op schoone woorden
of kloeke daden, die ik heb gedaan.

 

Ik heb U lief! Dit wil ik zachtkens zingen;
't lied van mijn leven klinke tot Uw eer.
Zij 't ook geen symphonie in volle accoorden,
maar zacht geneurie: 'k heb U lief, mijn Heer!

 

Ik heb U lief! Dit schrijf ik heel voorzichtig
en schuchter neer. Vloeie uit mijn pen
geen machtig mooie taal of krachtbetooging:
mijn roem, mijn rijkdom is, dat ik U ken.

 

Ik heb U lief! Dat is ook heel natuurlijk!
Wie is als Gij zoo waard te zijn bemind?
Maar onbegrijp'lijk wonder is, dat Gij mij liefhebt,
mij, Heer! Uw nietig en onwaardig kind!

 

Gij hebt mij lief! Door dit mijn menschenleven
loopt als een gouden draad Uw zorg voor mij.
Dat Gij mij mint - gedachte om bij te duiz'len -
dat maakt mijn hart zoo onuitsprekelijk blij!

 

Daarom herhaal ik zachtkens, telkens weder:
Ik heb U lief! ... een schuchter, klein geluid ...
Tot ik, in 't groot orkest, aan 't eind der eeuwen,
ditzelfde woord in luiden jubel uit!

 

E. V.-v. 0.

Vorig gedicht

Volgend gedicht