CORRESPONDENTIE.

 

N. te D. vraagt, wat de uitdrukking beteekent: "Koop de waarheid, en verkoop ze niet." (Spr. 23 : 23.) Van het Evangelie staat toch geschreven: "Gij hebt het om niet ontvangen; geef het om niet." (Matth. 10 : 8.)

 

In Jesaja 55 wordt k van koopen gesproken, maar zonder geld. We koopen iets, waarop we prijs hebben gesteld. Zoo hebben we ons dan ook naar de waarheid Gods uitgestrekt als naar een schat, en we hebben haar verkregen. Nu moeten we dit bezit niet weer prijsgeven.

 


Chr. L. te O. heeft naar aanleiding van het artikel "De komst des Heeren en een heiligen wandel" in de eerste drie nummers van dezen jaargang een enkele vraag en opmerking over de uitdrukking op blz. 49: "Neen, de dag des Heeren is nog niet aangebroken. Die dag - zoo gaat de apostel voort - zal u niet overvallen. Die dag breekt pas aan n uw opneming in den hemel." Deze woorden heeft onze geachte lezer in den Brief niet gevonden.

 

Het is inderdaad juist, dat de aangehaalde woorden z in de beide brieven niet gevonden worden. Ze zijn ook geen woorden van den brief zelf. Maar ze zijn den apostel, die sprekende ingevoerd wordt, in den mond gelegd door den schrijver van het artikel, om daardoor samen te vatten, wat de apostel betoogd heeft in het 5de hfdst. van den eersten brief en in het 2de hfdst. van den tweeden brief. De onmiddellijk op blz. 49 voorafgaande regels, die aanvangen met: "Wordt, geliefde broeders! op geenerlei wijze geschokt, enz.," maken wel duidelijk, dat we hier niet te doen hebben met een woordelijke aanhaling uit de brieven. Letterlijk staat er immers: "En wij bidden u, broeders! wegens de komst onzes Heeren Jezus Christus en onze vereeniging met Hem, dat gij niet haastelijk geschokt wordt in uw gemoed, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door brief als van ons, alsof de dag des Heeren tegenwoordig ware. Dat niemand u op eenigerlei wijze misleide! want die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen zij, en geopenbaard zij de mensch der zonde, de zoon des verderfs, die zich" enz. De bedoeling van den schrijver was: in het kort samen te vatten, wat op blz. 48 te voren was uiteengezet. En deze samenvatting is dan geen woordelijke aanhaling, doch de wedergave van den zin van het door Paulus gezegde.

De vraag of de woorden "De dag des Heeren komt als een dief in den nacht,'' niet zeggen willen, dat de dag des Heeren wel voor de geloovigen komt, maar niet als een schrik, wordt beantwoord door hetgeen de apostel in 1 Thess. 4 zegt. De geloovige verwacht niet den dag, maar de komst. De Bruidegom komt voor de Bruid; met vreugde wordt naar zulk een komst uitgezien. De wereld heeft den dag des Heeren te verwachten; als een dief zal hij onverwacht en ongemerkt tot haar komen.

 


J. v. E. te L. vraagt wat de beteekenis is van 1 Petr. 4 : 18. Men krijgt daar den indruk, dat de geloovige maar nauwelijks zalig wordt.

 

Hier is geen sprake van de verlossing in Christus. Zij, tot wie de apostel sprak, bezaten die. Met behoudenis wordt in de Schrift niet slechts het tegenwoordig genot van de behoudenis der ziel bedoeld, maar ook de volledige bevrijding der geloovigen, die plaats zal hebben bij de komst van Christus in heerlijkheid. De apostel heeft hier het oog op de verzoekingen en gevaren, waaraan de Christen blootstaat en waar hij doorheen moet gaan om het einde van zijn loopbaan te bereiken. De kracht Gods en Gods wijsheid worden vereischt, om het geloof te onderhouden en te sterken, waar Satan al wat hij kan doet om den geloovige onderweg naar den hemel nog te doen omkomen.