JOZEFS GESCHIEDENIS.

Praktische beschouwing.

DE NAZIRER ZIJNER BROEDEREN.

Voor Jakob was Jozef "de afgezonderde zijner broederen." [1] Toen Jakobs andere zonen hun weg verdierven, en buiten 's vaders tent in den dienst der zonde hun genot zochten, bracht Jozef zijn uren rustig door bij den ouden Jakob, en nam de belangrijke lessen zijns vaders ter harte. Bij al de smart over de goddeloosheid zijner andere zonen, was Jozef een oorzaak van troost en vreugde voor Jakob.

Doch de tijd kwam, dat Jozef met zijn broeders de kudde zijns vaders moest weiden, en nog wel met de zonen der dienstmaagden zijns vaders. [2] Dagelijks verkeerde hij te midden dezer goddelooze mannen, en zag hij hun ruwe daden. Maar verre van behagen te scheppen in deze dingen, keerde hij zich met groote beslistheid van het kwade af. Hij bevond zich op een gevaarlijken leeftijd, en elken dag keerde de verzoeking bij het zien van het booze terug. Zonder twijfel zullen zijn broers hem wel aangezet hebben tot het kwade, want zij, die zulke dingen doen, hebben een welgevallen in hen, die ze doen. [3] Doch Jozef hield den vijand op een afstand door zijn boog, in de kracht van God. Dat was zijn bewaring. - En hierin blijft Jozef voor alle jongeren een navolgenswaardig voorbeeld. Hoe licht zijn jonge menschen geneigd, om, door nieuwsgierigheid gedreven, het kwaad eens wat nader te bezien, in plaats van onnoozel in het kwade en wijs in het goede te willen zijn. [4] Niet, dat men zich met de zonde n wil maken, o, neen! doch men misleidt zich, door zichzelf te willen wijsmaken, dat het toch goed kan zijn, er eens wat meer van te weten. Dit is voorl het geval met hetgeen er al zoo op de boekenmarkt verschijnt! Maar - men stelt zich dan aan de grootste gevaren bloot, en menigeen is er door te gronde gegaan. Jonge vrienden! houdt den vijand op een afstand! God heeft u in Zijn woord een boog willen geven; oefent u in het gebruik van dien boog, en gebruikt hem, in biddend opzien tot God. Dan zult ge sterk zijn; maar dn ook alleen. Misschien werkt ge op gevaarlijke plaatsen, in fabrieken, in werkplaatsen, op ateliers of kantoren, en maakt ge daar dagelijks kennis met den dienst der zonde. Ge hoort er slechte woorden, ge ziet er booze dingen, - denkt er dan aan, dat de Machtige Jakobs, die Jozef bewaarde te midden zijner booze broeders, en den jongen Danil met zijn vrienden in de slechte stad Babel, ook u bewaren kan en wil, wr ge uw werk mocht hebben! Maar daarvoor is een onverdeeld hart noodig, gemeenschap met den Heer. "Jezus' macht reikt verder dan des vijands macht!"

En hoe sterk waren de broeders van Jozef in het kwade! Ook zij waren boogschutters. Zij deden Jozef bitterheid aan, en beschoten hem. [5] Doch Jozef bleef getrouw, te midden van al hun aanvallen van jaloerschheid en spotternij. Vooral dit laatste is zulk een machtig wapen in de hand van den vijand. Maar Jozef overwon.

En 's vaders tent en hart bleef voor hem openstaan. Te midden van den strijd vond Jozef gelegenheid, om tot Jakob terug te keeren. En dan sprak hij met zijn vader over de kwade geruchten, die over zijn broeders gingen. Dit was geen lafhartig "verklikken," waarin hij zichzelf zocht. Daarvoor was Jozefs karakter te edel. Niets in zijn geschiedenis geeft ons reden, hem daarvan te verdenken. Maar de openbare booze handelingen zijner broeders waren den Kananieten bekend geworden, en hoe kon door de kwade geruchten de naam Gods gelasterd worden. Dit was hem tot een voortdurende smart. En dan moest hij zelf steeds die booze bedrijven voor oogen hebben, die booze woorden hooren, hun bitterheid en spot verdragen. Het was hem een behoefte, telkens in te keeren tot 's vaders tent, die bij al den haat zijner broeders voor hem een schuilplaats der liefde was. Daar was een hart, dat hem begreep, en dat met hem mede leed. Daar, in de stille afzondering, kon hij zich vrij uitspreken. Daar ontving hij troost en raad. Daar werd gebeden en nieuwe kracht opgedaan voor den strijd. Daar dronk Jozef uit de beek, [6] en zette verkwikt den moeilijken weg verder voort.

Wie zal zeggen hoe velen, die nu bezweken zijn in den strijd tegen de zonde, bewaard zouden zijn gebleven, als zij zich eens meer uitgesproken hadden tegenover hun ouders, of tegenover een ouderen, godvreezenden vriend of oudere, vertrouwde vriendin. Het spreken, dat jonge menschen samen zoo menigmaal doen over hetgeen zij in hun werkkring hooren of zien, werkt in den regel niet veel goeds uit. Maar zich tot anderen te wenden, die met God wandelen, en met hen te spreken over hetgeen in het hart is, over de gevaren, die er dagelijks zijn, en dan te hooren naar liefdevollen raad, samen den troon der genade te zoeken, zie, daar gaat kracht van uit.

Weten wij, geloovige ouders en ouderen wel, dt, als jonge menschen zich in de wereld moeten bewegen, zij daar behoefte aan hebben? Hebben wij, die grootere kinderen hebben, getracht, hun vertrouwen te winnen, zoodat zij gaarne en gemakkelijk met hun bezwaren tot ons komen? Ze hebben het soms zoo zwaar. Laat ons veel voor hen en veel met hen bidden. Laat ons naar hen luisteren met geduld, en ons wachten, door onvoorzichtige woorden hun vertrouwen te schokken.

En gij, jongeren! die uw arbeid moet verrichten te midden der goddeloosheid, - wij kennen de verzoekingen, die u omringen, uw strijd en uw moeite. Maar wij weten gelukkig ook, dat gij met alles tot den Heer kunt gaan. En tevens, dat het zoo nuttig is, van tijd tot tijd u eens uit te spreken voor anderen, die u liefhebben, die belang in u stellen, om dan samen het aangezicht van den Machtige Jakobs te zoeken. Doet als Jozef, en gij blijft bewaard!


[1] Gen. 49 : 26.

[2] Gen. 37 : 2.

[3] Rom. 1 : 32b.

[4] Rom. 12 : 9.

[5] Gen. 37 : 2.

[6] Ps. 110 : 7.