De komst des Heeren en een heilige wandel.

(3.)

We vervolgen thans met den tweeden Brief aan de Thessalonikers.

Deze spreekt meer in het bijzonder over den "Dag des Heeren," en wekt ons, met het oog daarop, tot een heiligen, Gode waardigen levenswandel op.

In het eerste hoofdstuk worden we beziggehouden met de rust, die de geloovigen, en het oordeel, dat de ongeloovigen wacht.

Hoofdstuk 2 spreekt ons over de openbaarwording van den antichrist.

Terwijl het slot van hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3 ons wijst op de bron van kracht en vertroosting dergenen, die vr het aanbreken van den oordeelsdag zullen worden opgenomen in den hemel.

 

I.

 

De Thessalonikers verwachtten den Zoon van God uit den hemel en zij leden door vervolgingen om Zijnentwil. Een heerlijke vertroosting was hun evenwel geschonken door de openbaring aangaande Zijn komst in de lucht, zoodat ze elken dag opnieuw konden uitzien naar hun geliefden Heer, met Wien zij vereenigd zouden worden - zij, de levenden, en de ontslapenen, die eerst zouden worden opgewekt - en door Wien zij het Vaderhuis zouden worden binnengeleid, en met Wien zij zouden wederkomen, om met Hem te worden geopenbaard in heerlijkheid en macht op deze aarde! Maar hoewel zij deze bemoediging hadden ontvangen, was het toch noodig, dat zij verder werden onderwezen aangaande Gods voornemens met hen. En daartoe schrijft de apostel hun een tweeden brief.

God wilde deze trouwe getuigen nader bekend maken met wat Hij in recht en gerechtigheid doen zou. De openbaring van den Heer Jezus was aanstaande, en met deze openbaring was tweerlei verbonden, beide in overeenstemming met Gods gerechtigheid. Het was n.l. met deze gerechtigheid in overeenstemming, dat zij, die nu voor hun Heiland leden, zouden rusten na al de moeite en strijd. Doch tevens vloeide uit diezelfde gerechtigheid voort, dat de vijanden zouden worden "verdrukt," geoordeeld.

Zij, die door God gesteld waren "tot verkrijging der behoudenis," en verbonden waren met Zijn Zoon, moesten tijdens diens afwezigheid lijden in deze wereld. Zij hadden dit met hun Heer gemeen; het was een natuurlijk uitvloeisel van hun betrekking tot den Verworpene. Op dit lijden zou echter verademing volgen, een heerlijke rust, die hun door God zou worden geschonken. Zij zouden die rust als belooning ontvangen met den apostel en diens medearbeiders. Het eerste hoofdstuk bevat daarom de karakteristieke uitdrukking "rust met ons." "Indien het namelijk recht is bij God, aan u, die verdrukt wordt, rust met ons (te vergelden), bij de openbaring des Heeren Jezus van den hemel." (Vers 6 en 7.) Zij waren immers "navolgers" geworden "van den apostel en van den Heer," (1 Thess. 1 : 6.) niet alleen wat het lijden betreft, maar ook wat de belooning aangaat. In God, den Vader, en in den Heer Jezus Christus waren zij volmaakt veilig; hun geloof wies, de liefde onderling was overvloedig, zoodat Paulus er voor kon danken, als hij aan hen dacht. Maar nu hadden ze nog noodig, bemoedigd te worden door de opening van het heerlijk vooruitzicht, dat ze niet altijd in den storm zouden blijven. Door de felle branding van haat en tegenkanting in deze wereld, zouden ze worden heengebracht in de hemelsche haven der veilige rust, waar alle vermoeienis voor eeuwig zou verdwijnen. Rust wachtte hen. Ook voor hen bleef er over een sabbatsrust. Welk een versterking! Het vriendelijk licht van het veilig tehuis was voor hen een aansporing om te volharden tot het einde! - Gaat, het onze medegeloovigen in Rusland niet thans zoo? Welk een vertroosting voor hen, te midden der vervolgers, te zien op de rust, die hen wacht! En gaat het ook ns niet zoo, ook al beleven wij niet die zware tijden, dat we have en goed, ja het eigen leven, moeten veil hebben voor onzen Meester? De bezwaren zijn velerlei en ook wij zien verlangend uit naar de haven onzer begeerte. Welnu, bij de openbaring van den Heer Jezus is voor allen en voor eeuwig alle lijden voorbij! Rust, heerlijke rust zal ons aller deel zijn! Nog een weinig volharding. De kroon volgt op het kruis. Rust uit Gods hand, die Hij in Zijn rechtvaardigheid schenken zal.

De openbaring des Heeren Jezus van den hemel zal, gelijk we reeds opmerkten, aan de vijanden rechtvaardige vergelding brengen in den vorm van oordeel. "Het is recht bij God aan hen, die u verdrukken, verdrukking te vergelden." (Vs. 6.) Nu verdrukken zij de getuigen voor den naam van Jezus, maar dan, in den dag der rechtvaardige vergelding, zullen zij worden verdrukt. Christus zal komen, de verheerlijkte Zoon des menschen, die Heer is over allen, en Hij zal verschijnen met de engelen Zijner kracht. In vlammend vuur zal Hij wraak nemen over de tegenstanders. Zij zullen tot straf lijden "het eeuwig verderf van het aangezicht des Heeren en van de heerlijkheid Zijner sterkte." Welk een dag! De dwaze en onteerende gedachte van velen in onzen tijd, dat de heilige God niet toornen zou over Zijn vijanden, zal dan op een ontstellende wijze worden gelogenstraft. God zal tot dat doel Zijn Zoon openbaren van den hemel, en Hij zal Zijn engelen tot medeuitvoerders van het gericht stellen. Het zal zijn een oordeel in, vlammend vuur. De straf zal bestaan in een eeuwig verwijderd zijn van het aangezicht des Heeren!

In dezen zelfden dag zal de Heer Jezus verheerlijkt en bewonderd worden in Zijn heiligen, en in allen, die geloofd hebben. Zij zijn met Hem, bij Hem; zij maken Zijn gevolg dit. Het zal zijn een dag van verschrikking en van wee voor de vijanden, maar van heerlijkheid en rust voor de vrienden. En daarom, - zoo besluit als 't ware de gewijde schrijver - laat het uitzicht op dien dag u een aansporing zijn, waardig te leven, heilig te wandelen, in overeenstemming u te openbaren met deze hoogheerlijke roeping. Laat de naam van den Heer Jezus in u worden verheerlijkt; Gods genade en de genade van den Heer Jezus wil u dat geven!

II.

 

De broeders te Thessalonika zagen uit naar de vereeniging met Jezus in de heerlijkheid. Allen zouden den Heer tegemoet gevoerd worden in de lucht - dit was hun in den eersten Brief geschreven; de verborgenheid daaromtrent was hun geopenbaard geworden. Dit geloof in de aanstaande komst van den Bruidegom in de lucht was de redelijke grond om elke valsche leer af te wijzen, alsof de dag des Heeren reeds tegenwoordig zou zijn; alsof de Thessalonikers dien dag reeds beleefden en doormaken moesten. Zoolang zij niet weggenomen waren, van deze aarde, was ook die dag nog niet gekomen. Door hun tegenwoordigheid werd deze dag tegengehouden. Daarom zegt de apostel in het tweede hoofdstuk: "Wat dien dag tegenhoudt, weet gij." Bovendien was de komst van dezen oordeelsdag nog met iets anders verbonden. De "mensch der zonde" zou tevoren worden geopenbaard; de "antichrist," de "zoon des verderfs" moest eerst gekomen zijn. Hij moest zich eerst in den tempel hebben nedergezet als god. Zoo zou "de wettelooze" zich openbaren. Wel wrkte in Paulus' dagen, gelijk in de onze, reeds de wetteloosheid, maar ze zal niet tot volle ontplooiing komen, zoolang de Heilige Geest, als Persoon, in het midden der Gemeente op aarde vertoeft. Eerst moet de Heilige Geest zijn weggegaan van deze aarde; Hij moet, als ik mij zoo eens uitdrukken mag, eerst het veld hebben geruimd, alvorens de zoon des verderfs vrij baan heeft om zijn satanische krachten in teekenen en leugenwonderen te ontwikkelen. De Heilige Geest evenwel zal op aarde blijven, zoolang de Gemeente er zal vertoeven, waarom ook de apostel schrijft: "Wordt, geliefde broeders, op geenerlei wijze geschokt of misleid, noch door leugengeesten, noch door misleidende woorden, noch door valsche brieven, die, alsof ze authentiek waren, worden rondgezonden!" Neen, de dag des Heeren is nog niet aangebroken. "De dag" - zoo gaat de apostel voort - "zal u niet overvallen. Die dag breekt pas aan na uw opneming in den hemel."

Vrselijk zal die dag zijn! Nog even komt de apostel er op terug. De ongeloovigen, die dien dag beleven zullen, nemen dan de leugen aan, alsof het de waarheid is. Ze hebben in den genade-tijd de waarheid voor leugen uitgekreten, en de liefde tot de waarheid hebben ze niet aangenomen, daarom zullen ze de leugen als waarheid aanvaarden en door de leugen vergaan. Ze moeten! Het kn niet anders!! God zendt daartoe een werking der dwaling. Die een welbehagen gehad hebben in de ongerechtigheid, zullen daarin voortleven en alz worden geoordeeld!

"Broeders!" zoo gaat de apostel voort, "hoe geheel anders is het met u. Gij zijt door den Heer geliefd. God heeft u van den beginne - d.i. van vr de grondlegging der wereld - uitverkoren om behouden te worden. Door den Heiligen Geest zijt gij afgezonderd voor God. De waarheid hebt gij geloofd, en uit de waarheid zijnde gaat gij de heerlijkheid tegen. God heeft u daartoe geroepen door het Evangelie. Niet het oordeel onzes Heeren Jezus, niet Zijn openbaring van den hemel in vlammend vuur hebt gij te vreezen, nn, Zijn heerlijkheid straalt u tegen! Maar houdt dan ook vast aan de inzettingen, mondeling en schriftelijk, die ik u geleerd heb. Staat onwankelbaar vast in de blijde hoop, die u geschonken is. En is het u ook zwaar door verdrukking te gaan en vervolgingen door te maken eeuwige vertroosting en goede hoop door genade wordt u geschonken door onzen Heer Jezus Christus-Zelf en door onzen God en Vader, die ons heeft liefgehad. - Ook hier ziet de apostel den Vader en den Zoon als n Persoon, in liefde handelend ten aanzien van de verlosten. Welnu, dit zij u tot versterking in alle goed werk en woord!"

III.

 

Nog op n heerlijk voorrecht moet Paulus in zijn herderzorg de geliefden te Thessalonika wijzen. Die God, dien zij kenden en dienden, - die Zoon, dien zij uit de hemelen verwachtten, was getrouw. Hij zou hen geen oogenblik loslaten. Zij zouden worden bewaard van den booze, op wiens gebied zij nog leefden en met wiens tegenwerking ook de apostel, ja vooral de apostel, nog zoovl te doen had. God zou Zijn Woord inmiddels zijn loop geven en het zou in zijn gezegende uitwerking verheerlijkt worden ook buiten Thessalonika. Ongeschikte en booze menschen zouden er blijven. Het geloof was niet aller. Doch hoe het ook wezen mocht, wat ze ook ervaren zouden, van Gods liefde konden ze zich verzekerd houden! Aangaande de komst van den Zoon hadden ze eveneens volle zekerheid. Daarom konden ze onmogelijk worden beschaamd, indien hun oog daarop gericht bleef. Daarom ook besluit de apostel zijn heerlijke onderwijzing - nog gevolgd door enkele praktische vermaningen in de verzen 6-18 - met de bede: "De Heer richte uwe harten tot de liefde van God en tot de volharding van Christus." En aan deze treffende slotwoorden gaan de merkwaardige woorden vooraf: "Broeders, wij hebben vertrouwen aangaande u!" Niet alleen vertrouwen op God, maar ook in u, namelijk, dat ge doet en doen zult, wat wij u bevelen. En dit wijl ge het oog richt op de komst van den Zoon en het hart vervuld hebt met de liefde des Vaders.

 

Zoo is dan de heerlijke leer aangaande de komst des Heeren in beide brieven de beweeggrond geweest voor de heiligen te Thessalonika voor een Gode waardigen wandel; de eenige grond van vertrouwen bij den apostel aangaande hun vastheid en gehoorzaamheid en liefde. Zij het zoo ook bij allen, die door de genade des Heeren bekend zijn met dezelfde heerlijke waarheid, welke in droeve dagen zoo rijk aan vertroosting is, doch te allen tijde een aansporing tot een wandel met God en ter eere Gods!