Zondigen en niet zondigen.

 

"Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zoo misleiden wij onszelve, en de waarheid is niet in ons." (1 Joh. 1 : 8.)

"Wie de zonde doet, is uit den duivelÖ Een iegelijk, die uit God geboren is, doet de zonde niet; want Zijn zaad (d.i. Gods zaad) blijft in hem, en hij kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is." (1 Joh. 3 : 8 en 9.)

Zoo op het eerste gezicht lijkt het uiterst moeilijk, de waarheden, ons geleerd in deze twee Schriftgedeelten, met elkaar in onze gedachten in overeenstemming te brengen. Uitdrukkelijk wordt in de laatst aangehaalde tekstplaats gezegd: "Wie de zonde doet, is uit den duivelÖ Wie uit God geboren is, doet de zonde niet." En in de eerste worden we vermaand om niet te zeggen, dat wij geen zonde hebben, daar dan de waarheid niet in ons is.

Nu, wij allen zijn ons diep bewust, dat als we de woorden uit 1 Joh. 3 in absoluten zin moesten opnemen, al onze hoop zou vergaan, en elk geloovige van den aardbodem zou moeten worden verdaan.

Maar alles wordt ons duidelijk, - en de twee Schriftuurplaatsen spreken elkaar dan niet tegen, maar vullen elkaar aan, - als we nagaan in welk verband ze voorkomen.

In 1 Joh. 1 ziet de Heilige Geest de geloovigen, gebracht in gemeenschap met den Vader en met Zijn Zoon; in de tegenwoordigheid van Jezus Christus. (1 Joh. 1 : 3 en 7.) Welnu, als ik in zulk gezelschap ben gebracht, en dan zou zeggen: "Ik heb geen zonde," zou ik mijzelf misleiden en de waarheid zou niet in mij zijn. De tegenwoordigheid en de gemeenschap met den Vader en den Zoon brengt de zonde aan het licht, en openbaart aan mijzelf mijn gebreken en tekortkomingen. De werkzaamheid van het vleesch is altijd een verhindering van de gemeenschap. Maar in de tegenwoordigheid Gods wordt mijn toestand openbaar, en is er tegelijkertijd de voorziening. "Het bloed van Jezus Christus, Zijnen Zoon, reinigt ons van alle zonde." Het werk van Christus is volbracht. We zijn rein door het bloed. Maar dat neemt die andere waarheid niet weg, dat voor de handhaving van onze gemeenschap door den Geest de kracht van het bloed, dat reinigt van elke zonde, op onze zielen moet worden toegepast.

In 1 Joh. 3 ziet de Heilige Geest de geloovigen niet in de tegenwoordigheid van Vader en Zoon, maar van de wereld. Worden zij gezien in de tegenwoordigheid van Vader en Zoon, dan wordt er gezegd, dat zij zonde hebben; de zonde woont in hen. En ze kunnen zonden doen, die ze dan te belijden hebben. Maar worden ze gezien in tegenstelling met de wereld rondom hen, dan wordt er gezegd, dat ze niet zondigen, ja, dat ze, omdat Gods zaad in hen is, niet kunnen zondigen.

Johannes neemt in zijn geschriften de dingen in abstracten zin. In Joh. 10 lezen we, dat de schapen de stem van den Herder hooren en volgen. Vader en Zoon weten wel; dat dit vaak anders is. Maar gezien in hun karakter als schapen, is het zooals gezegd wordt. Zůů is het ook met de geloovigen, beschouwd als uit God geboren: ze kunnen niet zondigen; dat is hun normale toestand. De kinderen der wereld hebben geen nieuwe natuur; niets dan zonde. Maar de geloovigen hebben een nieuwe, een heilige natuur; en gezien als zoodanig, zondigen zij niet. Hun kenmerk is: niet te zondigen, niet te kunnen zondigen.

Een goede illustratie van het verschillende uitgangspunt der genoemde Schriftgedeelten vinden wij in hetgeen de Heer Jezus sprak, toen Johannes de Dooper zich aan Hem ergerde. Tot Johannes zelf liet de Heer zeggen: "Welgelukzalig, die aan Mij niet zal geŽrgerd worden." Dit was dus als het ware tusschen Jezus en Johannes alleen. Maar als de discipelen van Johannes zijn weggegaan, en de Heer Johannes zag in tegenstelling met ieder ander, met de wereld, spreekt Hij met groote liefde en waardeering over hem, en zegt, dat niemand, uit vrouwen geboren, grooter is dan hij. Het eerste toont ons den geloovige in de tegenwoordigheid des Heeren, en dan wordt hij aan zichzelf ontdekt. Het tweede toont ons, hoe de Heer het voor hem opneemt tegenover de schare.

Een andere illustratie: God rechtvaardigde IsraŽl volkomen tegenover de vijanden, en zeide, dat Hij geen ongerechtigheid in Jakob aanschouwde, en geen boosheid in IsraŽl zag. Maar aan IsraŽl zelf toont Hij in Zijn heilige tegenwoordigheid wat het volk praktisch is.

Zoo worden we in 1 Joh. 1, omdat wij wandelen in het licht van Gods tegenwoordigheid, ontdekt aan onszelf.

Maar in 1 Joh. 3, waar we in tegenstelling met de kinderen der wereld worden gezien, wordt ons gezegd, dat wij kinderen Gods zijn en niet zondigen.

Laat ons hart zich verblijden, dat Gods zaad in ons is, en er zulke heerlijke dingen van ons worden getuigd.

Maar laat ons ook, in Zijn tegenwoordigheid, zien wie wij zijn. Dan zal Hij in onze ooren fluisteren, hoe onze praktische toestand voor Hem is, en tegelijk ons herinneren aan Zijn genadige voorziening: "Het bloed van Jezus Christus, Zijnen Zoon, reinigt ons van alle zonde!'