CORRESPONDENTIE.

 

W.M.P. te O.-B. vraagt een verklaring over Handelingen 5 : 1-11, en wel in 't bijzonder over het spoedige begraven van Ananias en Saffira. De begrafenis van Ananias had plaats zonder dat Saffira er kennis van droeg. Was dat regel of uitzondering?

 

Neen, dat laatste is iets bijzonders. Een oordeel Gods treft Ananias, den leugenaar, en later diens vrouw. Dat in gewone gevallen familie en kennissen bij de begrafenis aanwezig waren, blijkt voldoende uit Matth. 9 : 23, waar we zien, dat velen in het sterfhuis bijeen zijn en treurmuziek maken en klaagliederen zingen.

De begrafenissen in het Oosten hadden, en hebben nog steeds, spoedig plaats. En dat met het oog op het bederf. (Zie Joh. 11 : 39.) Hoewel door wasschingen, en door de inwikkeling in doeken met specerijen, gedaan werd, wat mogelijk was, (Hand. 9 : 37; Joh. 11 : 44; 19 : 39.) moest toch spoedig worden begraven. Na de begrafenis werd een rouwmaaltijd gehouden. (Jer. 16 : 5 en 7.) Het was voor den Israëliet vreeselijk, niet begraven te worden, en na den dood door anderen niet betreurd te worden. (Jer. 16 : 6.)

Uit een en ander zien we, welk een vergeldend, straffend ingrijpen de plotselinge dood en begrafenis van Ananias was, zoo spoedig gevolgd door die van Saffira.

 


C.L. te Z. vraagt naar aanleiding van hetgeen op pag. IX Voorrede Nieuw Testament wordt opgemerkt, of, waar van de weglating door sommigen van Mark. 16 : 9-20 en Joh. 7 : 53 tot 8 : 11 gezegd wordt, dat ze uit menschelijke overweging is geschied, ditzelfde niet geldig is van de weglating van Hand. 8 : 37 en 1 Joh. 5 : 7b en 8a.

Ons antwoord is, dat deze gevallen niet gelijk zijn. De woorden uit Hand. 8 en 1 Joh. 5 zijn weggelaten, omdat ze slechts in weinige handschriften voorkomen, en het dus daaruit duidelijk is, dat de oorspronkelijke tekst ze niet bevatte, maar ze later zijn bijgevoegd en door sommigen overgeschreven.

Heel anders is het echter met de plaatsen uit Mark. 16 en Joh. 7 en 8, omdat, die in vele handschriften, ook in de oudere, voorkomen.

Als neven-overweging bij de weglating en handhaving dezer verschillende deelen, heeft de volgende gedachte voorgezeten. In 't eerste geval: strijdt het bijgevoegde niet met de waarheid, zooals het Nieuwe Testament die geeft? In 't tweede geval: is zwak geloof en menschelijke redeneering over schijnbare tegenstrijdigheid en verschil in stijl niet de oorzaak geweest van de weglating?

Deze neven-overweging nu is niet een menschelijke, maar juist eene, door den Geest geleid.

 


A.J. te A. vraagt, hoe in Markus kan gezegd worden, dat de Zoon niet weet "van dien dag en die ure." De Zoon was toch alwetend. - Het "Zoeklicht" geeft de verklaring, dat de Heer daar als menschenzoon spreekt. Maar dit antwoord bevredigt onzen vrager niet.

 

Alles wordt duidelijk, als we er aan denken, dat het woord: "Maar van dien dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in de hemelen zijn, noch de Zoon, dan de Vader," voorkomt in het Evangelie van Markus, dat ons Jezus doet zien als Dienstknecht. (Mark. 13 : 32.) 't Is merkwaardig, dat we hetzelfde woord vinden in Mattheüs 24 : 36, maar dat dan weggelaten wordt: "Noch de Zoon." Mattheüs stelt ons dan ook Jezus als Koning voor.

De Zoon wist alles. Als God natuurlijk. Maar ook als Koning en als Zoon des menschen. Wanneer de Heer in Johannes opmerkt, dat Hij uit Zichzelven niets kan doen, wil dit dus niet zeggen, dat Hij er geen macht toe had, maar dat Hij het niet kon, omdat Hij in alles alleen wilde doen, wat God tot Hem zeide. We mogen wel onderscheiden Jezus als God en als Mensch, maar nooit die beiden scheiden.

Heel anders wordt het echter, wanneer de Heer Jezus ons voorgesteld wordt in het karakter van Dienstknecht. Dan moet wel gezegd worden, dat ook de Zoon (dus als Dienstknecht gezien) niet van dien dag en ure weet, omdat, naar het eigen woord van den Heer Jezus, "de dienstknecht niet weet wat zijn heer doet!' (Joh. 15 : 15.)

 


S.K. te F. zou gaarne een korte uitlegging hebben van Johannes 6 : 53-56. Hij meende altijd, dat hetgeen daar over het vleesch-eten en bloed-drinken gezegd wordt, op de toekomstige instelling van het Avondmaal zag. Maar onlangs hoorde hij een heel andere verklaring.

 

In Johannes 6 is nog geen sprake van het Avondmaal. Dit zou eerst veel later worden ingesteld. Maar de Heer wilde daar duidelijk maken, dat er geen leven is zonder dat men Zijn vleesch gegeten en Zijn bloed gedronken heeft. Door het geloof moet de zondaar zich één maken met Hem, die Zijn lichaam gaf en Zijn bloed stortte, dus met een gestorven Christus, en dáárdoor het eeuwige leven ontvangen. (Vs. 53-55.) Daarna zegt de Heer dan, (Vs. 56.) dat er een voortdurend eten en drinken moet zijn, een voortdurend ons voeden met Christus, die voor ons stierf. Dit ziet op het gehééle leven van den geloovige. Jezus is de bron van het eeuwige leven, dus ook de levenskracht.