JOZEFS GESCHIEDENIS.

Praktische beschouwing.

DE BOOG VAN JOZEF.

Toen Jakob op zijn sterfbed Jozef zegende, sprak hij van Jozef als over een boogschutter, wiens boog in stevigheid gebleven was. [1] Hij dacht terug aan den gevaarvollen weg, door Jozef gegaan, doch ook aan zijn overwinningen in elken strijd, en hoe bij alle verzoekingen en moeilijkheden, Jozefs boog sterk was gebleven en zijn arm krachtig.

De strijd begon voor Jozef, toen hij zeventien jaren oud was. Van toen af moest bij met zijn broeders het werk doen: zijns vaders kudde weiden. [2] Tot dien tijd toe had hij vertoefd in 's vaders tent.

Dertien jaren van strijd, smaad, verzoeking en lijden zijn daarna zijn deel geweest. [3] Doch al die jaren bleef hij trouw voor God en menschen. Hij overwon, waar duizenden zouden bezwijken. Door zijn boog hield hij elken vijand op een afstand, of velde dien ter neer. Jakob heeft daarvan gezegd: "De schutters hebben Jozef wel bitterheid aangedaan, en hem beschoten en gehaat, maar zijn boog is in stevigheid gebleven, en de armen zijner handen zijn gesterkt geworden door de handen van den Machtige Jakobs; vandaar is hij een herder, een steen Israls."

Zoo zag Jakob dus Jozef met een stevigen boog en krachtige hand. Doch het was de sterkte van den Machtige Jakobs; de handen van den Machtige Jakobs rustten op Jozefs armen en maakte zijn handen sterk in den strijd om te overwinnen, zelfs in de grootste gevaren.

 

In de Schrift is op verschillende plaatsen in geestelijken zin sprake van het zwaard en den boog. Het zwaard is een wapen, dat gebruikt wordt in den strijd van man tegen man. Zoo is het zwaard des Geestes Gods Woord. [4] Als de vijand ons aanvalt, bezitten wij in het Woord van God, gebruikt in gemeenschap met Gods Geest, een machtig wapen om hem te verslaan. Zooals de Heer Jezus deed, toen Hij door Satan in de woestijn werd verzocht. De boog echter diende om den vijand op een afstand te houden en vandr te treffen. Twee dingen werden bij een goed gebruik van een boog vereischt: kracht en inzicht. Kracht om met volharding den boog te kunnen spannen; wijsheid om met het oog den afstand te kunnen meten, zuiver te richten en zoo doel te raken.

Wat zou men bereiken, als men alleen kracht bezat en geen inzicht; en wat, als er wijsheid was zonder kracht!

 

Maar Jozefs boog bleef in stevigheid. Jaren lang behield hij de kracht, en bezat hij ook de wijsheid om zuiver te richten, en steeds de juiste plek te treffen, waardoor hij als overwinnaar uit den strijd naar voren kon treden.

Maar vanwaar had Jozef den boog, de kracht en de wijsheid, toen hij als jongeling van zeventien jaren in het openbare leven verscheen? Het antwoord is, dat hij die verkregen heeft in de stille jaren van zijn afzondering, met zijn vader doorgebracht. Nog leefde Izak, de vreedzame man, die een man is geweest van rustig peinzen en bidden.

Daarbij had Jakob in zijn veelbewogen leven krachtig ervaren de macht van Gods genade.

Hoe zal nu de jonge Jozef, wiens hart door den Heer geopend was, achtgeslagen hebben op hetgeen hem door zijn vader en grootvader medegedeeld werd. Zooals eeuwen later de knaap Timotheus luisterde naar zijn moeder en grootmoeder. Hier spraken menschen van rijke levenservaringen, en Jozef verkreeg door hen de kennis van Gods gedachten. Door hen heeft hij ook geleerd, zijn handen tot God op te heffen. En al is het, dat de Schrift ons niet n gebed van Jozef mededeelt, zoo zeggen ons Jakobs woorden op zijn sterfbed over Jozef, dat Jozefs leven een leven is geweest in de tegenwoordigheid Gods, in voortdurende afhankelijkheid van Hem. Trouwens, zijn heele geschiedenis bewijst dit.

Hoewel onze Heer alleen in den volsten zin des woords heeft kunnen zeggen: "Ik was gebed," [5] - d.w.z. mijn heele leven was n gebed, - zoo kan men toch ook van Jozefs heele leven zeggen, dat het een gebedsleven is geweest. Want als Jozef in 's levens dienst treedt, bezit hij den sterken boog, maar ook ten einde toe wijsheid en kracht om den boog te gebruiken. Doch wijsheid en kracht van boven hebben wij nooit van onszelf. De handen van den Machtige Jakobs sterkten Jozefs armen, omdat zijn handen biddende handen waren. Zijn kracht was Gods kracht, die hij in het gevoel van eigen machteloosheid van den Machtige Jakobs begeerde. In de macht van Gods genade kon Jozef overwinnen. Hij was wl toegerust, krachtig in zijn God; en dat bleef hij ten einde toe.

 

Later laat de Schrift ons ng een jongen man zien, die een bekwaam boogschutter was, Jonathan, [6] en wij willen over hem hier eenige opmerkingen maken, omdat ze zeer nauw in verband staan met het onderwerp van den boog.

Jonathan was een held en door geboorte geroepen tot den troon. Maar als hij Davids overwinning op Goliath gezien had, en daarna David hoorde spreken, werd zijn ziel met Davids ziel verbonden. En al de teekenen zijner waardigheid legde hij voor David neder; ook zijn zwaard en boog. Ja, die boog van Jonathan zou voortaan alleen tot zegen voor het volk kunnen gebruikt worden, als Jonathan wandelde in gemeenschap met den gezalfde des Heeren, den overwinnaar van Goliath.

En ook gebruikte Jonathan den boog met veel wijsheid om David te kennen te geven, dat de tijd van vervolging voor hem aangebroken was. Doch dan liet Jonathan boog en pijlen terugbrengen in de stad, om, al was het ook na een roerend afscheid, David alln den donkeren weg van een vervolgde te laten gaan en zelf de rust te genieten in eigen woning in de stad. [7]

En wel bezocht hij later David nog eens in het woud en daar was moed, Goddelijke kracht voor noodig, doch daarna keerde hij naar zijn huis terug. [8] De Goddelijke kracht had hem k bekwaam kunnen maken om te deelen in al het lijden van David, doch daartoe gaf hij zich niet.

Maar als dan de tijd verder voortschrijdt, valt hij in den laatsten smadelijken strijd van Saul tegen de Filistijnen. De boogschutters der vijanden hielden aan op de koninklijke familie. Doch wat vermocht Jonathan met zijn boog, nu hij niet met David was? Hij was van kracht ontbloot. Jonathan viel en zijn schild werd smadelijk weggeworpen, en zijn lichaam werd gehangen aan den muur van BethSan. [9]

Vr dien tijd hebben de boogschutters van Sauls geslacht gelukkig te elfder ure leeren verstaan, dat zij, hoe afgericht zij ook waren voor den strijd, hun kracht alleen konden openbaren in gemeenschap met David, zoodat zij Sauls leger verlieten en zich voegden bij David te Ziklag. [10]

En David zelf maakte, toen hij van den dood van Saul en Jonathan gehoord had, een lied, dat hij noemde "het lied van den boog," en hij wilde, dat alle mannen van Juda dat lied zouden leeren. Allen moesten er diep van doordrongen zijn, dat zelfs helden en boogschutters als Saul en Jonathan vallen moesten, als de strijd niet kon gestreden worden met de hulp van God. [11] 

Jonge geloovigen! neemt deze dingen ter harte. Ook u wacht de strijd. Maar God wil u een boog geven. Hij wil u de kennis Zijner gedachten, Zijn Woord schenken. Daartoe wil Hij ook gebruiken ouderen, die in de school der ervaring zijn geweest. Luistert naar hen!

De jonge koning Uzzia begaf zich om God te zoeken en liet zich onderwijzen door Zacharia, die verstandig was in de gezichten Gods. En toen hij God zocht, was hij voorspoedig. [12]

Toegerust met Gods Woord, hebt gij een boog in den strijd tegen Satan, tegen verzoekingen, tegen tal van gevaren. Doch weest er diep van doordrongen, dat de boog gebruikt moet worden in gemeenschap met God. Leert het lied van den boog! In u is geen kracht, maar de Heer wil uw kracht zijn. Als uw handen gevouwen handen zijn, dan zullen op uw armen de handen rusten van den Machtige Jakobs, en dat maakt u sterk in den strijd. Dan is het, zooals de dichter heeft gezegd:

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht,
Uw vrije gunst alleen wordt d'eere toegebracht!


[1] Gen. 49 : 23 en 24;

[2] Gen. 37 : 2;

[3] Gen. 41 : 46.

[4] Ef 6 :17.

[5] Ps. 109 : 4. - In de Statenvert. zijn de woordjes "steeds in het" schuin gedrukt; een bewijs, dat ze er in 't oorspronkelijk niet staan. De Psalmist zegt alleen: "Ik was gebed."

[6] 1 Sam 18 : 1-4

[7] 1 Sam. 20 : 35-43;

[8] 1 Sam. 23 :16-18.

[9] 1 Sam. 31;

[10] 1 Kron. 12 : 1 en 2;

[11] 2 Sam. 1 : 17-27.

[12] 2 Kron. 26 : 5.