De komst des Heeren en een heilige wandel.

(2.)

 

III.

 

Herderzorg - wat is het heerlijk, als deze onder Gods kinderen wordt gevonden!

Bij den apostel en zijn helpers was ze waarlijk aanwezig. In tien schoone trekken staan ze hier vr ons in het derde hoofdstuk van 1 Thessalonika.

Om te beginnen: Paulus wilde gaarne te Athene alln gelaten worden - en dat beteekende hl wat voor hem!

Voorts wilde hij zelfs Timothes wel zenden, hoewel hij zlf daardoor veel missen moest. Want de kudde te Thessalonika moest worden versterkt en vermaand!

De herder wilde hun "geloof" kennen, kennende de gevaren, waaraan de schapen waren blootgesteld.

Maar hij werd ook "vertroost," toen hij goede berichten ontving; wel een bewijs, dat zijn hart geleden had vanwege de zorg voor de kudde!

Paulus "lfde" - o, hoe teekent dt den waren herder! - als de schapen maar vaststonden in den Heer!

En hij was "vol blijdschap," als zij het goed hadden! Hoewel die vreugde hem niet vertragen deed in het gebed, want nacht en dag "bad hij overvloedig," opdat hij ze maar spoedig mocht wederzien!

En waarom? Om te "volmaken," aan te vullen - omdat ze nog zoo weinig onderwezen waren! - wat aan hun "geloof," de kennis der waarheid Gods, ontbrak.

Ten slotte - en dat is dan de laatste trek van den herder! - kon Paulus getuigen, dat zijn hart "overvloedig in liefde" was jegens de vervolgde kudde.

Dit alles kenmerkte den waren herder, die bij de zorg over de aan hem toevertrouwde kudde rekening houdt met de komst van den Oversten Herder der schapen, die de belooning uitdeelen zal aan al de getrouwe herders. (1 Petr. 5 : 2-4.) O, mochten wij toch ook, met het oog op die komst, het hart zetten op de kudde, en naarstig zijn om het aangezicht onzer schapen te kennen!

Er is in de Gemeente evenwel niet alleen sprake van herders, die op de schapen toezien, er is ook een heerlijke gemeenschap der heiligen. Een gemeenschap tusschen de dienstknechten van Christus en degenen, die door hun arbeid worden geleid en opgebouwd. Een uitwisseling van gevoelens, die de liefelijke vrucht zijn van de betrekking tusschen de heiligen, welke door den Heiligen Geest gewerkt is. Naast waardevolle herderzorg kostbare gemeenschap onder de geloovigen onderling!

Van deze gemeenschap der heiligen spreekt ons hoofdstuk k op een bijzondere wijze.

Getuigt Paulus niet in vers 6, dat de Thessalonikers hem en zijn mede-arbeiders altijd in "goede gedachtenis" hielden, en dat zij "verlangende waren hem te zien" en dat er in hun harten "liefde was jegens elkander en jegens allen," een liefde, die nog overvloediger worden mocht? En kon de apostel niet van zichzelf en van Silas en Timothes getuigen, dat zij "het niet langer konden uithouden," ziende, dat Satan een en andermaal een reizen naar Thessalonika verhinderd had, en dat zij daarom besloten hadden Timothes te zenden?

Ja, van zichzelf herhaalt de apostel het dan nog eens in vers 5 met de woorden: "Daarom ook ik, het niet langer kunnende uithouden, zond hem"

En daarna, na de terugkomst van Timothes, schrijft dan niet de apostel, dat zij allen "zeer verlangende waren," ook na de geruststellende berichten, om "de heiligen te Thessalonika te zien"?

En ook dan blijft de bede, dat God, de Vader, en de Heer Jezus, (hier in de gedachte van den apostel n,) hun weg tot de Thessalonikers mocht richten!

Zie, dat alles is schoon! Een treffende openbaring onderling van hartelijke liefde! Wat is gemeenschap der heiligen toch kostelijk! Het is een hemelsche plant op deze koude, dorre aarde!

Maar zie nu in verband met deze herderzorg en met deze gemeenschap der heiligen het schoone slot van het hoofdstuk!

Opnieuw wordt de blik gericht op de komst van den Zoon des menschen in heerlijkheid. Voor allen, zonder onderscheid en onafhankelijk van welken dienst ook, of van de plaats en van de gave, zegt de apostel: "Opdat de Heer uw harten versterke om onberispelijk te zijn in heiligheid voor onzen God en Vader bij de komst van onzen Heer Jezus met al Zijn heiligen." Jezus zal komen met al Zijn heiligen - niet n zal er gemist worden, k de ontslapenen niet, hetgeen wordt duidelijk gemaakt in het volgende hoofdstuk. En dan zullen die allen staan bij Hem voor God den Vader in volkomen heiligheid, d.i. afgezonderd van alle kwaad en in overeenstemming met de eischen der heilige gerechtigheid Gods. En daarnaar zal het verlangen uitgaan van de herders en van alle heiligen. - Hier wordt dus de wederkomst niet, zooals in het vorige hoofdstuk, voorgesteld als een prikkel voor den arbeider, opdat deze overvloedig zij in het werk des Heeren, maar als een spoorslag voor allen, om in heiligheid te wandelen.

IV.

 

"Brandende lampen" en "omgorde lendenen" zijn de teekenen van een volijverigen dienst en van een bestendig wachten op den Meester of Bruidegom. "Dat uw lendenen omgord zijn, en uw lampen brandende," heeft de Heer Jezus gezegd tot Zijn discipelen, "en gij, zijt gelijk aan menschen, die op hun heer wachten.... welgelukzalig die slaven, welke de heer, als hij komt, wakende zal vinden" (Luk. 12 : 35-40.)

In het begin van het vierde hoofdstuk spreekt de apostel over "brandende lampen" en "omgorde lendenen", al worden deze woorden letterlijk niet gebruikt. In de verzen 1-12 is toch telkens sprake over den wandel, en van bevelen, die de Thessalonikers door den Heer Jezus ontvangen hebben. Er wordt ook gewezen op den wil van God, welke de afzondering van alle kwaad inhoudt. Daartoe moeten we waakzaam zijn, en onze lendenen omgord hebben.

In het bijzonder wordt gewezen op de groote gevaren op zedelijk gebied, wel noodzakelijk voor menschen in een stad als Thessalonika, en in een tijd, waarin onzedelijkheid verbonden was aan den afgodendienst. En deze broeders waren immers afgodendienaars gewst! God nu is een Wreker van dat kwaad! God, die ons geroepen heeft niet tot onreinheid, maar tot heiliging! En indien iemand zijn broeder in die zaak verachtte, door niet te eerbiedigen, wat God heeft ingesteld, - een iegelijk man hebbe zijn eigene vrouw! - die moest wel bedenken, dat hij niet een mensch, maar God verachtte, God, die - zoo besluit dan de apostel - "u ook Zijn Heiligen Geest gegeven heeft!" Ziedaar een der hoogste voorwaarden voor een heiligen wandel en voor een getrouwen dienst: - de inwoning des Heiligen Geestes!

Treffend wordt daarna nog een enkel woord gezegd over de broederlijke liefde. Daarin zouden de Thessalonikers ng overvloediger kunnen worden. Doch wat vooral voor die broeders van beteekenis was, is hetgeen volgt: "Beijvert u, om stil te zijn, en uw eigene dingen te doen, met uw eigene handen te werken, opdat gij welvoeglijk wandelt tegenover hen, die buiten zijn, en van niemand iets noodig hebt!"

We zien het: van het begin tot het einde aanschouwen we waakzaamheid, omgorde lendenen. Het kleed is opgeschort; werkende en dienende menschen moeten we zijn, door luiheid niet verstrikt! En dat alles, omdat we tot God zijn gebracht, Diens Geest hebben ontvangen, en in verbinding zijn met den Zoon in de hemelen!

De Zoon in de hemelen!

Ja, die zou komen met al Zijn heiligen. Doch hoe zou dat mogelijk zijn? Zoo overlegden de Thessalonikers. Er waren immers enkele broeders uit hun midden weggenomen. De ontslapenen! Waar zouden die zijn?

Op deze vraag geeft de apostel dan het heerlijke antwoord, dat we "een zalige vertroosting" willen noemen.

Zeker, al de heiligen, van den ouden dag en der Gemeente, zouden met Hem komen. Maar dan moest den Thessalonikers ook iets nieuws worden medegedeeld; zij mochten niet "onkundig" blijven; en daarom wordt hun nu een verborgenheid geopenbaard.

De ontslapenen - zouden die niet tegenwoordig zijn bij de openbaring van Jezus in heerlijkheid? Zeker zouden ze dat! Want God zou hen "met Jezus" brengen! Merkwaardige woorden! In Gods hand ligt dus de volle zekerheid aangaande het geluk van de ontslapenen, niet alleen n, terwijl hun zielen bij Jezus in het Paradijs zijn, maar ook strks, bij de openbaarwording met Jezus in heerlijkheid!

God-Zelf zou hen met Jezus brengen!

Maar daartoe moest Jezus-Zelf dan eerst komen om hen op te wekken. Welnu: "De Heer-zelf zal met een geroep, met de stem eens aartsengels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en de dooden in Christus zullen eerst opstaan."

En wij, die dan tot de nog levenden op aarde behooren, wij zullen "veranderd" worden. (1 Kor. 15 : 52.) Wij zullen, wat het lichaam betreft, geschikt gemaakt worden om den Heer te volgen in den hemel, en om later met Hem uit den hemel te kunnen nederdalen op de aarde, zooals het ons wordt medegedeeld en toegezegd in Openbaring 19 : 11-16.

Deze verandering wordt beschreven in 1 Kor. 15 : 53, 2 Kor. 5 : 4 en Fil. 3 : 21. Het sterfelijke en verderfelijke wordt verslonden! Het onsterfelijke en onverderfelijke zal er voor in de plaats treden!

En z zullen we dan "allen te zamen" - de opgewekten en de veranderden - in wolken opgenomen worden den Heer tegemoet in de lucht, om altijd met den Heer te zijn!

V.

 

De Dag des Heeren! - wat zou die brengen voor de heiligen te Thessalonika? Op deze vraag geeft vers 9 van het laatste hoofdstuk een schoon antwoord. "God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der behoudenis door onzen Heer Jezus Christus, die voor ons gestorven is, opdat wij gezamenlijk met Hem mogen leven."

Met het oog op dien dag der heerlijkheid wilde de God des vredes Zelf hen heiligen gansch en al. En wat de apostel dan daaraan nog toevoegt in vers 23 is aangrijpend ernstig, en tegelijk toch ook weer wonderbaar heerlijk. "Geheel uw geest" - zoo schrijft hij dan -"en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard bij de komst onzes Heeren Jezus Christus."

Neen, de broeders te Thessalonika, en allen, die in waarheid den Heer Jezus toebehoorden, zijn niet van den nacht, en niet van de duisternis. Dat wren zij! Maar nu zijn zij zonen van het licht en zonen van den dag! En in overeenstemming daarmede behooren zij te leven. "Nuchter zijnde" moesten de Thessalonikers, als op den wachttoren staande, gedekt zijn met het borstwapen des geloofs en der liefde, en met den helm van de hoop des heils. Te allen tijde hadden zij het goede na te jagen, zoo jegens elkander en jegens allen! En wijl de geloovigen te Thessalonika niet tot den nacht behoorden, en niet in de duisternis waren, knden zij niet overvallen worden door den Dag des Heeren ten oordeel voor deze wereld! Ja, voor de wereld is de komst van Christus wel het meest ongewenschte. Voor hr komt Hij als een dief! Als men elkaar toeroept: "vrede, zekerheid!" en op geen gevaar beducht is, althans van den hemel dit het allerminst verwacht, dan - dan opns komt het oordeel; de dag der vergelding! En niemand zal dan ontvlieden! Vrselijke toekomst: zonder Jezus het eeuwig verderf tegemoet!

Doch zalige verwachting, als Jezus onze Heiland geworden is! Dan is het niet noodig zelfs, onderricht te worden aangaande tijden en gelegenheden. Elk oogenblik kan immers de overgang plaats hebben uit deze wereld in de heerlijkheid, om dan op Gods tijd te worden geopenbaard met den verheerlijkten Jezus, teneinde met Hem te oordeelen en te heerschen "de duizend jaren." - De Dag des Heeren, de verschijning van den Zoon des menschen, neme ons gehle hart in! Want z zal dan de God des vredes ons onberispelijk bewaren tot op de komst van Zijnen Zoon, onzen geliefden Heer en Heiland Jezus Christus!