CORRESPONDENTIE.

 

H.H. te E. schrijft, dat hij gelooft goed te doen, voortaan geregeld den Bode te lezen, om aldus meer en beter Gods gedachten te leeren kennen. - Hij vraagt, of wij, als wij samenkomen om den dood des Heeren te verkondigen, niet als broeders oprecht moeten zijn tegenover elkander, daar wij toch zingen: met een rein en vrij geweten, aan den Disch te zijn gezeten.

 

Als Paulus in Hebr. 10 spreekt over het toegaan in het heiligdom, (hetgeen k en bijzonder door ons geschiedt, als wij aan de Tafel des Heeren aanbidden,) zegt hij, dat wij alln naderen kunnen met harten besprengd en alzoo gereinigd van het kwaad geweten, en het lichaam gewasschen met rein water. Hierop zinspeelt ons lied, als het spreekt van aanzitten met een rein en vrij geweten. Het bloed van Christus heeft ons geweten gereinigd. Wij hebben geen geweten van zonden meer; wij zijn er van bevrijd. Het zekere bewustzijn is in ons, dat God niets meer tegen ons heeft, omdat wij weten, dat God door het bloed van Christus bevredigd is.

Maar - op grond drvan moeten we altijd toegaan, niet alleen in volle verzekerdheid des geloofs, doch ook met een waarachtig hart. (Hebr. 10:22.) Is er iets, dat ons voor God verontreinigd heeft, dan moeten we dit wegdoen, alvorens in te gaan; we moeten wr voor God verschijnen. Is er iets, dat door ons niet goed gedaan is tegenover een broeder, dan moet dit door ons worden erkend; vooral vrdat we naar de plaats der aanbidding gaan. (Matth. 5 : 23 en 24.) Heeft een broeder tegen ons gezondigd, dan moeten we vergevensgezind zijn en hem willen winnen. (Matth. 18:15-22.) Dus: waar voor God en menschen!

 


W.N. te T. vraagt: Wat beteekent de uitdrukking in Matth. 6 : 22: "Indien dan uw oog eenvoudig is"?

 

Een eenvoudig oog is een oog, dat de spiegel is van een oprecht hart. Het oog weerkaatst hetgeen in ons wordt gevonden. - "Ik heb een verbond gemaakt met mijn oogen," zegt Job. (Job 31 : 1.) Onze oogen moeten rechtuit zien; niet afzwerven; anders wordt de begeerlijkheid opgewekt.

Een eenvoudig oog is een oog, dat blikt in n richting; dat zich bezighoudt met n voorwerp; dat dus niet vatbaar is voor allerlei invloeden.

Wij hebben de leer van Jezus in Matth. 6 : 22, en de praktijk van Paulus in Fil. 3 : 8 en 14.