VOOR JONGE GELOOVIGEN.

EEN WEINIG SLUIMERENS.

Iemand zeide mij eens, dat, als hij een moeilijk werk te doen had, 't welk veel ijver en alle aandacht vereischte, hij het zoo mogelijk altijd opdroeg aan iemand, die reeds met werk overladen was.

Dit lijkt in 't eerst vreemd, maar bij eenig nadenken en in de praktijk omgezet is het heel natuurlijk. Want iemand, die altijd actief is en elk oogenblik uitkoopt, kan steeds nog wel tijd vinden om nog wat meer te doen, en hij doet het beter, en minstens tweemaal zoo vlug als menschen, die gemakzuchtig zijn en daardoor alles langzaam verrichten, en daardoor het altijd voor alles te druk hebben.

Het zal goed zijn, als onze jonge vrienden oppassen, niet in den strik van gemakzucht te vallen. Ik heb nu in hoofdzaak het oog op geestelijke dingen.

Salomo heeft over den gemakzuchtige het volgende gezegd:

"Ik ging voorbij zijn akker en zie, hij was opgeschoten van distelen, zijn gedaante was met netels bedekt, en zijn steenen scheidsmuur was afgebroken. Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte, ik zag het en nam onderwijzing aan: een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens al nederliggende: zoo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man." (Spr. 24 : 30-34.)

Van hoe veler akker kan hetzelfde worden getuigd op geestelijk gebied?

Gemakzucht zegt: 't Kan morgen wel, 't kan later nog.

En zoo wordt uitgesteld. En het ploegen en eggen en wieden wordt nagelaten. En het zaaien geschiedt te laat. En zoo worden dra de droeve gevolgen gezien, ook door anderen.

Ik bezocht eens Mr. Gemakzucht in den avond in zijn kamer. En hij lag languit zijn krant te lezen tot in de kleinste berichten. En zijn Bijbel stond ergens tusschen zijn boeken verborgen. En het werd laat, zoodat hij geen tijd meer had, om het Boek der boeken te halen en te openen.

Ik bezocht hem des morgens. Maar hoewel hij wakker was, stond hij niet op. En op 't laatste oogenblik moest hij zich reppen, en had toen geen tijd meer om rustig te bidden en zich geestelijk te sterken.

Hij meende het niet zoo kwaad. Maar hij verwaarloosde telkens iets door "een weinig sluimerens".

Het is merkwaardig met slechte gewoonten: eerst strijdt men er tegen, maar als men dan zich door gemakzucht laat leiden, verflauwt de strijd, en weldra heeft men er geen hinder meer van, en eindelijk weet men niet beter, of het behoort zoo. Maar inmiddels is het welgeordende Christelijk leven een leven van wanorde, een dorre wildernis geworden.

Laten we toch niet vergeten, dat het geestelijk leven er een is van voortdurende activiteit en inspanning.

Rust roest.

Beter verteren dan verroesten.

Levende visschen zwemmen worstelend den stroom op; maar als zij het opgeven, worden zij meegedreven en weggevoerd.

We kunnen nooit toenemen in geestelijke kracht, in Christelijke deugden, - waartoe de Schrift ons zoo vaak opwekt, - dan ten koste van zelfverloochening en arbeid. "De zegenende ziel zal vet gemaakt worden, en die bevochtigt zal ook zelf een vroege regen worden." (Spr. 11 : 25.) Om vorderingen te maken in het geestelijk leven, moeten we iets offeren van ons genoegen en van ons gemak.