HET ZINGEN DER GEMEENTE.

 

Het nieuwe lied.

 

Nu en dan vinden wij in het Oude Testament de uitdrukking: "een nieuw lied," en wel in Ps. 33 : 3; 40 : 4; 96 : l; 98 : 1; 144 : 9; 149 : 1 en Jes. 42 : 10.

Telkenmale wordt er gezegd, dat men Hem, dat men Gode, dat men den Heer een nieuw lied zal of moge zingen; maar éénmaal staat er, en wel in den bekenden 40sten Psalm, dat de Heer een nieuw lied in den mond heeft gegeven.

Als er terug werd gedacht aan alles wat de Heer had gedaan, aan de veranderingen ten goede, de openbaring Zijner majesteit in heerlijkheid onder de menschen en in de schepping, aan de wonderen, die Hij deed met Zijn rechterhand en den arm Zijner heiligheid, had de psalmist behoefte om een nieuw lied te zingen. Reeds dikwijls had hij Gode een lied gewijd, maar nu waren er weer nieuwe ervaringen van Zijn trouw en liefde, zoodat er behoefte was, op een nieuwe wijze den roem van God groot te maken en Hem een lofzang toe te brengen.

Dit komt vooral zoo treffend uit in Ps. 40 : 4, zoodat daar dan ook erkend wordt, dat het God Zelf is, die in den mond een nieuw lied legt; niet alleen als een uiting van de persoonlijke dankbaarheid van den psalmist, maar ook als een getuigenis van anderen en tegenover anderen: "Een lofzang onzen God; velen zullen het zien en vreezen en op den Heer vertrouwen."

Lang had de psalmist den Heer verwacht, toen hij zich in grooten nood bevond, maar God had hem uit een ruischenden kuil gehaald, zijn voeten op een rotssteen gesteld en zijn gangen vastgemaakt. En diezelfde God gaf nu in zijn mond een nieuw lied.

Dit was profetie van den Messias. Nadat de Heer Jezus was neergedaald in den ruischenden kuil en opgewekt door God, hief Hij een nieuw lied aan in het midden der gemeente. En zoo komen we vanzelf tot het lied der gemeente, dat wij vinden in Openb. 1. Daar wordt niet van gezegd, dat het een nieuw lied is, maar het nieuwe lied, dat we in Openb. 5 vinden, heeft denzelfden inhoud. De gemeente heeft hier reeds op aarde den voorsmaak van de eeuwige heerlijkheid. Ze heft reeds hier het nieuwe lied aan, dat spreekt van een geheel nieuwen toestand. Uit het modderig slijk gered, is alles geheel wonderbaar ten goede gekeerd. De geringe en de nooddruftige is uit het stof verheven en verhoogd geworden, om te zitten op den stoel der eere. "Hem, die ons liefheeft, en ons van onze zonden gewasschen heeft in Zijn bloed en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor Zijnen God en Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid!"

 

Een nieuw lied. Tweemaal vinden we deze uitdrukking in het Nieuwe Testament, en wel in het Boek der Openbaring.

Eénmaal in hoofdst. 14 : 3, als er sprake is van de heiligen, die van de aarde gekocht zijn, Gode en het Lam tot eerstelingen. Het gaat daar om de eersten van de groote scharen, die het koninkrijk van Christus zullen beërven en die aan de duizendjarige heerlijkheid zullen deelnemen.

De volle oogst komt eerst later bij de verschijning des Heeren, maar hun lied klinkt voor den troon des Heeren en ook voor de oudsten in den hemel. Het is een nieuw lied voor hen, omdat de verlossing uit de hand hunner vijanden is gekomen en zij zich daarin kunnen verblijden.

De andere maal in Openb. 5 : 9, waar sprake is van de hemelsche heiligen, de vier en twintig oudsten. Het is het loflied van de bevrijding der verlosten, dat door de zalen des hemels zal weerklinken. Het is niet een nieuw lied in dezen zin, dat wij het dan eerst zullen kennen, dan voor de eerste maal zullen zingen. Het wordt meegedeeld, opdat wij er ons nu reeds in verblijden zouden, dat zulk een heerlijkheid ons deel is geworden, en reeds duizenden malen hebben wij op aarde den inhoud er van gezongen. Maar het is een nieuw lied in tegenstelling met al de liederen van de oude bedeeling, waar sprake was van een tijdelijke, telkens nieuwe verlossing en uitredding. Het werk van den Heer Jezus is volbracht; een volkomen verlossing is ons verworven.

Daarom staat er in dit lied ook niet: Gij hebt ons Gode gekocht, maar: Gij hebt Gode gekocht. In het nieuwe lied, dat wij op aarde reeds zingen, spreken wij telkens over ons; maar in het nieuwe lied, dat we in de heerlijkheid zullen aanheffen, wordt gesproken over de waardigheid van het Lam; over de rechten, die Hij op alles heeft; over Zijn geslacht-zijn; over het feit, dat Hij uit alle geslacht en taal en volk en natie Gode gekocht heeft met Zijn bloed, en hen gemaakt heeft tot koningen en priesters, die over de aarde zullen heerschen. Alleen aan het slot blijkt, dat wij in dit lied niet slechts zingen over Hem en over hen, die Hij verloste, doch ook over onszelf, omdat de uitdrukking gebezigd wordt: voor onzen God.

Wel een heerlijk vooruitzicht; zelf zullen we op den achtergrond treden - hoewel wij de voorwerpen zijn van al het eeuwig heil - om Christus groot te maken.

Laten wij er naar streven, nu we nog op aarde zijn, mede in dezen geest te aanbidden. Zeker, hier kan het niet zooals straks; hier kunnen we onszelf, het groote geluk, dat ons deel is, niet zóó op den achtergrond plaatsen als daar: maar we kunnen er toch wel naar streven, geleid door den Heiligen Geest, Hem meer op den voorgrond te plaatsen in onze gedachten; meer het Lam te aanbidden om de heerlijkheid en voortreffelijkheid van Zijn Persoon, om de openbaring van Zijn onbegrijpelijke zondaarsliefde, zonder dat we nog denken aan het groote geluk, dat voor ons persoonlijk daarvan het gevolg is.

En nog iets. In Openb. 14 wordt gezegd: "En zij zongen een nieuw lied." In Openb. 15 vinden wij de uitdrukking: "En zij zongen het lied van Mozes, den slaaf Gods, en het lied des Lams." Maar hier, in Openb. 5, lezen wij: "En zij zingen." Hoewel Johannes zegt: En ik zag, en het kwam, en het nam; hoewel hij opmerkt, dat de vier dieren en de vier en twintig oudsten voor het Lam nedervielen, gaat hij opeens over in den tegenwoordigen tijd, als hij alleen spreekt over de oudsten, die elk een harp en gouden schalen vol reukwerk hebben en die een nieuw lied zingen. Het is, alsof hij daar staat te midden van de jubelende scharen der verlosten; en het is, alsof deze uitdrukking "zij zingen" wil zeggen, dat aan dit nieuwe lied der verlosten nimmer een einde komt.

Geloofd zij God, dat wij het nieuwe lied mogen kennen en eeuwig zingen!