HET ZINGEN DER GEMEENTE.

 

Zingen in den Geest.

 

Wij zagen reeds, dat, als er in 1 Kor. 14 : 15 sprake is van "met den geest zingen," er gedoeld wordt op ons zingen als nieuwe menschen. Bij het zingen moet de geest van den geloovige in actie komen; de geest van het nieuwe leven moet er bij werkzaam zijn.

Wij hebben er echter bij de behandeling van dit onderwerp op gewezen, dat, hoewel er in genoemde plaats van den Heiligen Geest geen sprake is, het toch van het grootste belang is, dat we in gemeenschap met den Heiligen Geest ook zingen. En op deze gedachte willen we nu nog nader ingaan naar aanleiding van hetgeen we vinden in Ef. 5 : 18 en 19.

Tegenover het dronken worden van wijn, waarin losbandigheid is, wordt door den apostel gesteld: het vervuld zijn met den Geest. De gedachte is dus deze: de wijn verheugt het hart, maar als er veel wijn gedronken wordt, leidt dit tot een toestand, waarin men zichzelf niet meer meester is. Wordt men nu vervuld met den Geest, dan is het gevolg daarvan, dat men niet alleen voor zichzelf gelukkig is, maar zich ook tegenover anderen niet inhouden kan; dat men behoefte heeft om in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen tot elkaar te spreken, ja, om den Heer te zingen en te psalmen (dat is verheven melodie maken) in het hart.

In den Brief aan de Efezirs wordt op verschillende wijzen over den Heiligen Geest gesproken. Allereerst wordt ons aangetoond, dat wij na het geloof, of toen wij geloofden, den Heiligen Geest ontvingen. Die Heilige Geest woont in ons lichaam; we zijn er mee verzegeld, en Hij is het onderpand onzer erfenis. Die Heilige Geest heeft ons samengevoegd en Gods gedachten doen verstaan. En het is die Heilige Geest, met wien we vervuld moeten zijn. Dit wil niet zeggen, dat wij moeten bidden om den Heiligen Geest, want deze is op aarde gekomen en woont in ons, woont ook in 't midden der geloovigen. Maar het wil zeggen, dat wij den Heiligen Geest moeten toelaten in ons hart, in ons midden werkzaam te zijn.

Hoe weinig denken wij er persoonlijk en gemeenschappelijk aan, dat wij tempelen des Heiligen Geestes zijn. Hoe weinig letten wij persoonlijk en gemeenschappelijk op de leiding des Geestes. God geve, dat wij meer gaan beseffen, welk een hooge Gast in ons en in ons midden woont, opdat wij Hem de volle ruimte geven, z, dat Hij ons en ook ons samenzijn geheel vervullen kan.

 

Het is een belangrijk feit, zoo schreven wij reeds, dat de Heilige Geest in de Gemeente voor alles de kracht behoort te zijn; dus ook voor het gemeenschappelijk zingen. De apostel, als hij spreekt over de gaven in de Gemeente, zegt: "Doch al deze dingen werkt n en dezelfde Geest." En de uitoefening der gaven, zoowel als de geestelijke openbaringen in het midden der geloovigen, is dan ook gegrond op dit belangrijke feit. Er moet een gebondenheid zijn bij ieder persoonlijk en bij alle geloovigen tezamen, aan den Heiligen Geest. Tegenover de losbandigheid staat het vervuld worden met den Geest, zoodat men geheel door dezen wordt geleid. De Heilige Geest is de kracht voor onzen wandel, maar ook voor onzen dienst en onze aanbidding in 't midden der Gemeente.

Wandelen we nu in het licht van God, laten we ons wakker schudden door den Geest van God, zoodat Christus over ons licht; zijn we niet onverstandig, maar verstaan we, welke de wil des Heeren is; in n woord: worden we vervuld met den Geest, dan zal het heerlijke gevolg dit zijn, dat we behoefte hebben, tot elkander te spreken in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen; met elkander den Heer te zingen en te psalmen in ons hart; onzen God en Vader in den Naam van onzen Heer Jezus Christus te allen tijde voor alle dingen te danken, en elkander onderdanig te zijn in de vreeze van Christus.

 

Van hoe groot belang is het derhalve, bij ons zingen er aan te denken, dat wij door den Heiligen Geest geleid moeten worden. Onze liederen spreken zooveel over dien Geest, en wij zingen zulke woorden soms zonder er voldoende acht op te geven. En zingen over den Geest is nog iets anders dan zingen in den Geest. "In" wil zeggen "in gemeenschap met" of "in de kracht van." Beide is van zooveel beteekenis en zoo noodzakelijk. Beide is ook van toepassing in betrekking tot het opgeven van liederen. Niet alleen komt daarbij te pas, dat we met den geest en met het verstand hebben te rekenen, neen, het is k zoo noodzakelijk, dat wij in biddende afwachting zijn van de werking des Heiligen Geestes. Daarom moesten we, als we samenkomen voor wlke bijeenkomst ook, elk persoonlijk, als we ons nederzetten, tot God bidden, niet alleen om ons te zegenen, maar om ons allen te houden onder de tucht des Heiligen Geestes. En dat niet alleen bij ons bidden en danken, bij het lezen der Schrift en het spreken erover, maar ook bij het zingen.