HET ZINGEN DER GEMEENTE.

 

Zingen met het hart.

 

We hebben in onze overdenkingen aangaande het zingen der gemeente gesproken over het zingen met den geest en over het zingen met het verstand. (1 Kor. 14 : 15.) "Broeders! weest geen kinderen naar het verstand, .... wordt naar het verstand volwassenen." (1 Kor. 14 : 20.) De Psalmist riep het reeds den geloovigen van den ouden dag toe: "Psalmzingt met een onderwijzing!" (Ps. 47 : 8.) Met inzicht moet worden gezongen; in ons lied moeten we de wegen en de werken des Heeren beschouwen en deze met een helder bewustzijn bezingen.

Nu is er echter nog een ander belangrijk element in het gemeentelijk zingen. Het is het "zingen met het hart." Nooit toch kan onze zang den Heer welbehaaglijk zijn, als ze buiten ons hart omgaat.

De Heer ziet het hart aan. Hij kent ons hart, de gedachten onzes harten. Hij zoekt oprechtheid des harten.

Meer dan eens spreekt dezelfde Psalmist, die het noodig acht, dat we met inzicht Gode psalmzingen, het uit, dat we het ook met heel ons hart zullen doen. "Ik zal den Heer loven met mijn gansche hart." (Ps. 9 : 2.) "Ik zal den Heer loven van ganscher harte." (Ps. 111 : 1.) "Ik zal U loven met mijn geheele hart." (Ps. 138 : 1.)

Van Hiskia wordt ons gezegd: "En in alle werk, dat hij begon in den dienst van het Huis Gods, en in de wet en in het gebod, om zijnen God te zoeken, deed hij met zijn gansche hart, en had voorspoed." (2 Kron. 31 : 21 .)

En zou de Christen dan niet met zijn hart bij de dingen zijn, die hij om 's Heeren wil doet? Hij heeft zooveel hooger voorrechten en grooter verantwoordelijkheid dan de Jood. Daarom wordt dan ook in twee van Paulus' Brieven een woord der vermaning gericht in betrekking tot het hart, als de apostel het heeft over het zingen.

"Zingende en psalmende den Heer in uw hart." (Ef. 5 : 19.)
"in genade Gode zingende in uwe harten." (Kol. 3 : 16.)

 

Het hart heeft een machtigen invloed. Daarom zegt de Schrift: "Mijn zoon, geef Mij uw hart." God wil, dat we ons gehl aan Hem geven. En alle Hem welbehaaglijke aanbidding moet komen uit een hart, dat recht is voor Hem. Willen we dus bloote formaliteit weren in ons lied, dan moeten we niet alleen met onzen geest en met ons verstand zingen, maar ook met ons hart.

De Bijbel toont ons aan, welk een innige verbinding er is tusschen hart en verstand, en welk een belangrijke invloed het eerste op het laatste uitoefent. Als beschreven wordt, hoe de menschen van hun oorspronkelijke kennis van God in duisternis vervallen zijn, wordt eerst opgemerkt, dat zij ijdel zijn geworden in hun overleggingen, en dat hun onverstandig hart is verduisterd geworden, terwijl daarna wordt medegedeeld, dat, omdat het hun niet goed dacht God in erkentenis te houden, Hij hun heeft overgegeven aan een verkeerden zin. (Rom. 1 : 21 en 28.) Het dwaze en verduisterde hart was dus de oorzaak van het verdorven verstand.

Met het oog op den geestelijken wandel der Christenen schrijft de apostel dan ook aan de Efezirs, dat hij God bad hun te geven: verlichte oogen huns harten, opdat zij mochten weten welke de hoop Zijner roeping is. (Ef. 1 : 17, 18.)

Eenerzijds derhalve de kennis Gods verloren doordat het hart van den natuurlijken mensch verduisterd is geworden, anderzijds volle kennis van Hem doordat het hart van den geloovige is verlicht geworden.

Nogmaals dan: welk een invloed heeft het hart! Er wordt dan ook tot den mensch gezegd, dat hij moet gelooven met het hart. En we worden vermaand, toch bovenal ons hart te behoeden boven al wat te bewaren is, omdat uit het hart de uitgangen des levens zijn. (Spr. 4 : 23.)

 

Dt nu is het juist, waarom het gaat, als we worden opgewekt, ook met ons hart te zingen. Het hart is de zetel der toegenegenheden; daar klopt het leven; het bestuurt ons oordeel en onze beweegredenen; het oefent invloed uit op hetgeen onze hand, onze voet, onze mond doet.

"Arglistig is het hart, meer dan eenig ding, ja, doodelijk is het, wie zal het kennen?" zegt Jeremia van het hart van den mensch. (Jer. 17 : 9.) En de Heer Jezus heeft er van getuigd: "Uit het hart komen voort de dingen, die den mensch verontreinigen." (Matth. 15 : 19.) Maar Paulus zegt van de geloovigen, dat de liefde Gods in hun harten is uitgestort door den Heiligen Geest. (Rom. 5 : 5.)

Ja, de Heilige Geest woont in onze harten, om alle genegenheden op te wekken, die beantwoorden aan onze betrekking tot God. Daarom onderwijst ons de apostel: "Omdat gij kinderen zijt, heeft God den Geest Zijns Zoons in uw harten uitgezonden, die roept: Abba Vader!" (Gal. 4:6.)

Dezelfde Geest, die de Geest van kracht en liefde en bezadigdheid is, is ook de Geest, die de rechte gevoelens in ons hart werkt jegens God onzen Vader. Hij vult ons hart met de onvergelijkelijke liefde Gods, zoodat onze mond spreekt uit den overvloed van ons hart. (Matth. 12 : 34 en 35; Luk. 6 : 45.) Stroomen van levend water vloeien uit ons binnenste door het geloof in Jezus. (Joh. 7 : 38.) Dit kan niet zonder den Geest. Maar het is onze verantwoordelijkheid, om in den geest en met het verstand tot God te naderen, en in onze harten te zingen en te psalmen.

Wij moeten ons dus in afhankelijkheid en geloof in Gods tegenwoordigheid bevinden, opdat de Heilige Geest in onze harten kan werken.

Er is zooveel gevaar, dat wij liederen zingen zonder met ons hart te zingen. De Heer Jezus heeft van de farizen gezegd: "Gij geveinsden, wl heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende: Dit volk genaakt Mij met hun mond en eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij." (Matth. 15 : 7-9.) Niets is den Heer meer aangenaam, dan dat wij oprecht, met een gelukkig hart, Hem zingen en psalmen.

 

Laat ons dan als wij gemeentelijk zingen, de mooie melodien, die we zoo gaarne zoo goed mogelijk zingen, vergezeld doen gaan van de melodie van ons hart. Geestelijk gevoel moet de plaats innemen van de muziekinstrumenten, die bij den eeredienst in den tempel gebruikt werden. Ons hart moet gestemd worden.

O, er is niets te vergelijken met de melodie van het hart, dat zich verblijdt in den Heer! De mooiste orgels geven in de verste verte niet de warme tonen, die opstijgen uit een hart, dat gloeit voor zijn Heiland; dat zich verlustigt in Gods liefde; dat de hooge en heerlijke voorrechten bezingt, die het deel zijn van elken geloovige in Christus. In zulk een hart is alles leven.

En kan het dan anders, of zulk een hart zingt "in genade"? Paulus, die de Efezirs als het ware vlak vr hun Heer plaatst, en hun Heer vlak vr hun ziel, zoodat het hart begint te zingen en te psalmen, wijst de Kolossers op God, de Oorzaak en den Bewerker van hun eeuwig heil. Hij roept het hun als het ware toe, toch te bedenken, dat alles Gods genade, genade alln is. In dt gevoel nu moesten zij Gode naderen met hun lofzegging. Genade kwam hen tegen als arme zondaren. Genade gaf hun Christus, de hoop der heerlijkheid. Genade sterkte hun het hart. (Hebr. 13 : 9.) En de genade moesten zij vasthouden. (Hebr. 12 : 28.)

Welnu, als zulk een gevoel van genade in onze harten leeft, hebben we behoefte uit de volheid van ons hart God te loven en te prijzen. Dan zingen we niet alleen met den mond, maar spreekt de mond uit den overvloed des harten, en juichen we met een bewogen ziel: "Hem, die ons liefheeft, en ons van onze zonden gewasschen heeft in Zijn bloed, en ons gemaakt heeft tot koningen, tot priesters voor Zijnen God en Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid! Amen."