HET ZINGEN DER GEMEENTE.

 

Psalmen, lofzangen, geestelijke liederen.

 

"Een iegelijk van u heeft een psalm."

Zoo lezen we in 1 Kor. 14 : 26.

Werden dan toch de Psalmen van David in het begin der gemeente gezongen in de bijeenkomst?

Het is begrijpelijk, dat deze vraag opkomt.

Maar het is even duidelijk, dat hier niet gedacht moet worden aan een Psalm van Israëls Psalmen. In Job 35 wordt gesproken over "Psalmen in den nacht." Hier is evenmin van de Psalmen Davids sprake; het Boek Job is geschreven in den tijd van Mozes. Tot de gemeente wordt gesproken over psalmen in den algemeenen zin van gewijde lofzeggingen. Behalve zingen wordt dan ook het werkwoord psalmen gebruikt.

Psalm is afgeleid van een Grieksch woord (psalmos), dat beteekent: gewijd lied. Er waren lofliederen, liederen, waarin het geestelijk leven tot uiting kwam, maar ook psalmen: de meest verheven en plechtige wijze van lofzegging.

Daarom lezen we in Efeze 5 : 19: "zingende en psalmende de Heer in uw hart."

 

Maar laat ons lezen, wat de apostel over de drieërlei soort van gemeentezangen zegt.

"Weest vervuld met den Geest, sprekende tot elkander in psalmen en lofzangen en geestelijke liederen." (Ef. 5 : 19.)

"Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid elkander leerende en vermanende met psalmen, lofzangen, geestelijke liederen." (Kol. 3 : 16.)

Het Grieksche woord voor zingen in 1 Kor. 14 : 15 is hetzelfde, wat elders door lofzingen en psalmzingen vertaald is. (Rom. 15 : 9; Jak. 5 : 13.)

Dus de gemeente heeft met den Geest en met het verstand te zingen: lofzingende, psalmzingende.

Wat is dat schoon!

Plechtige, statige liederen moeten door de gemeente worden gezongen. Ter eere van God en van het Lam.

Lofzangen, die den lof des Heeren bezingen en zich rechtstreeks richten tot Vader en Zoon.

Geestelijke liederen, waardoor de gevoelens van het hart worden uitgedrukt en de Christelijke ervaring tot uiting komt.

 

Er is dan ook een verzameling noodig van Christelijke "psalmen"; van geschikte gemeenteliederen.

In het begin der gemeente werden er lofliederen gezongen van verschillenden aard. De geloovigen werden vermaand, om ze met den geest en met het verstand te zingen; ze zongen lofliederen, bijv. in de gevangenis; ze gaven psalmen op, zooals in de gemeente te Korinthe, en deden dit ook in eigen kring in blijde oogenblikken. (Jak. 5 : 13.)

De geloovigen van die dagen moeten derhalve zulke zangen hebben gehad. Hoe zouden ze er anders gebruik van hebben kunnen maken! Er waren er zelfs vele. "Een iegelijk van u heeft een psalm" duidt daarop; de apostel vermaant de Korinthiërs, om niet allen gereed te zijn met een lied, daar hierdoor verwarring ontstond, maar zich ook hierin door den Geest te laten leiden.

De liederen, toen gemaakt, uit het hoofd geleerd, gezongen, zijn echter niet bewaard. Alleen wordt ons bekend gemaakt, dat er verschillende soorten waren.

 

Dit laatste is belangrijk.

Er waren dus liederen van verschillend karakter, hoewel van gelijke waarde, als ze gemeentelijk uit één hart en één gemoed werden opgezongen tot God.

De Israëliet bezat, door den Heiligen Geest ingegeven, het Psalmboek. (2 Sam. 23 : 1 en 2; Hand. 1 : 16.) Dit Boek was een der drie deelen, van het Oude Testament: de wet van Mozes, de profeten en de psalmen. (Luk. 24: 44.)

De Christen nu heeft den Heiligen Geest in zich wonende: "Hij zal bij u zijn in eeuwigheid, de Geest der waarheid, dien de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet hem niet, en kent hem niet; maar gij kent hem, want hij blijft bij u, en zal in u zijn." (Joh. 14 : 16 en 17.) Die Heilige Geest werkte zangen in de harten der geloovigen in Christus van vroegere eeuwen, tot op Christus. En Hij werkte ook weer in het midden der gemeente, opdat op den rechten tijd de rechte zangen werden aangeheven. Ja, zoo doet Hij nog.

Liederen maken is waarlijk niet ieders werk. Het is een bijzondere gave. Want door de psalmen, lofzangen en geestelijke liederen moeten de geloovigen in Gods tegenwoordigheid kunnen spreken uit hun hart, in overeenstemming met de waarheid; en ze moeten zichzelf en elkaar er mee kunnen vermanen en vertroosten.

Dit nu kan geschieden door een lied voor te lezen.

Maar èn in Efeze 5 èn in Kolosse 3 wordt dadelijk daarna gezegd: zingende. In Ef. 5 staat er zelfs bij: psalmende.

De bedoeling des Heeren is dus, dat wij gezamenlijk, tot nut van onszelf en elkaar, tot eer bovenal des Heeren, zullen zingen.

Laat ons dan met dank de gave erkennen, die God schonk om psalmen, lofzangen en geestelijke liederen te vervaardigen. Het behoeven niet altijd herders, leeraars of evangelisten te zijn, die dit werk doen. God kan ook anderen daartoe gebruiken. Ook zusters. Maar om liederen voor de gemeente te vervaardigen is het noodig, dat men de geestelijke nooden weet en de gevoelens van den geest kent.

 

Een goede verzameling van geestelijke liederen is dan ook een rijke schat. Er moest natuurlijk uit goede liederen, die er waren, een keuze worden gedaan. Er moesten nieuwe liederen ontstaan, waarin in geest en waarheid de Vader werd aangebeden, want die vond men niet onder de zangen van geloovigen van de vorige eeuwen. - God nu heeft hierin wonderbaar geholpen, zoodat in alle landen in de laatste eeuw liederbundels zijn ontstaan, geschikt voor het zingen der gemeente. En vele kostbare waarheden zijn onder ons bewaard gebleven, en hebben zich vastgezet in ons hart en in onze gedachten, omdat we ze voortdurend uitspreken in de liederen, die we zingen.

 

Maar dan is het ook noodig, dat wij de liederen kennen.

In het begin der gemeente heeft zeker het geheugen meer te doen gehad dan in onzen tijd. Een mooi lied, door den Geest aan iemand gegeven, werd door allen erkend als van God, als goed voor de gemeente, en men zong het en zong het weer. Zouden Paulus en Silas in de gevangenis niet liederen der gemeente gezongen hebben, die ze van buiten kenden?

Laat ons dan de liederen uit ons hoofd leeren. In de eenzaamheid, in zieke dagen komen de liederen ons zoo te pas. Maar ook in de gemeente is het van veel belang. Want we kunnen dan, omdat we niet naar de woorden behoeven te zoeken, te beter met ons hart bezig zijn met de gedachte.