HET ZINGEN DER GEMEENTE.

Zingen met het verstand.

 

Bidden of zingen onder Goddelijke aandrift, in geestvervoering, is geenszins verboden. Maar in de samenkomst der gemeente is men niet voor zichzelf, moet men dus geen dingen doen, waaraan men alleen persoonlijk wat heeft. Men is er vereenigd met allen. En al wat geschiedt, moet daar voor allen begrijpelijk zijn. Ieder moet "Amen" kunnen zeggen; ieder moet kunnen meezingen en dus verstaanbare taal vr zich hebben, die ook op verstandige wijze in het midden wordt gebracht.

In de gemeente gaat het niet allereerst om den enkele tegenover God. Natuurlijk is dat niet buitengesloten. Iedere ziel moet persoonlijk contact met den Heer hebben; iedere ziel moet leven in hetgeen geschiedt, alsof het hem alleen gold. Daarom is het zoo goed, dat wij liederen hebben, waarin wij spreken over "ik" en "mij." Dit doet mij tot mijzelf inkeeren; alles meer mijn persoonlijk bezit en mijn persoonlijke handeling worden. Maar nochtans: zoodra de gemeente vergadert, is er geen sprake van een zich persoonlijk afzonderen in aanbidding of lofzegging, of waarin dan ook. Alles moet geschieden in gemeenschap met de anderen.

De uiting van het zingen der gemeente is dan ook de uiting van het geheel. Gemeentelijk zingen, gemeenschappelijk zingen is harmonie. Niet honderd personen zingen een lied, elk op zichzelf staande, maar n lied wordt door honderden gezongen met n accoord, n van hart en ziel, uitdrukking gevende voor den Heer aan hetgeen alle harten en gemoederen gezamenlijk bezighoudt.

Welnu, dan is het ook van veel gewicht, wat en hoe we zingen.

Persoonlijk kan men zich in gebed en lofzegging wenden tot God, zonder zijn stem te doen hooren, zooals Hanna dit deed, toen ze in haar hart tot God sprak, alleen haar lippen bewegende; (1 Sam. 1.) gelijk we dit ook lezen van een Nehemia. (Neh. 2 : 4.) Maar het is klaar en duidelijk, dat er daarin geen gemeenschap met anderen kan zijn. Dit kan alleen, als men zich luide uitspreekt, en helder zijn gedachten naar voren brengt.

De geest is de verbinding met God. Het nieuwe leven, het nieuwe gemoed wendt zich tot den Heer in gebed, in lied en in aanbidding.

Het verstand is de verbinding met elkander. Door de luid uitgesproken woorden in gebed, dankzegging of lied hebben we gemeenschap met elkander in denzelfden gedachtengang.

De geheele vergadering is bezig met n en hetzelfde ding; zooals Paulus ergens anders zegt, dat wij eendrachtig, met nen mond, den God en Vader van onzen Heer Jezus Christus moeten verheerlijken. (Rom. 15 : 6.)

 

Sommigen hebben opgemerkt, dat de uitdrukking: "Ik zal met den geest zingen en ik zal met het verstand zingen," een persoonlijk karakter draagt; dat het zeggen wil, dat ik zelf moet weten, dat ik als een nieuw mensch tot God spreek, en moet verstaan, wat ik zing. Dit is natuurlijk k waar. Maar Paulus doelt hier toch op veel meer. De Korinthirs vermanende, dat zij in de gemeente z spraken, dat anderen hen niet verstonden, wekt hij hen op, toch rekening te houden met de andere aanwezigen, en z te spreken, dat allen zouden verstaan, opdat allen gemeenschap konden hebben aan hetgeen gezegd werd. Daarom zegt hij later: "Ik wil in de gemeente liever vijf woorden spreken met mijn verstand." Daarmede wilde hij zeggen: Ik wil z spreken, dat anderen mij verstaan kunnen, en derhalve onderwezen en gesticht worden. De verantwoordelijkheid, aldus te doen, was natuurlijk persoonlijk. Daarom spreekt hij over "ik"; daarom noemt hij zichzelf als voorbeeld. Maar hij was een lid van het lichaam van Christus. En als zoodanig legt hij deze waarheid in het midden neer als de verantwoordelijkheid voor allen. Met den geest en met het verstand moeten alle aanwezigen kunnen meebidden en meedanken, mee offeranden des gezangs, als vrucht der lippen, Gode kunnen brengen.

 

Eenheid van allen in alle handelingen, is kenmerkend voor de gemeente. Isral was k een eenheid, en wel tegenover de volken. Maar - het was een eenheid, gevormd door twaalf stammen, en elke stam had zijn eigen orde, en was in zichzelf weer een zekere eenheid. Deze stammen-eenheid werd dan ook voorgesteld door de twaalf toonbrooden; terwijl de eenheid der gemeente haar uitdrukking vindt in n brood, omdat ze n lichaam vormt. (1 Kor. 10 : 17.) De eenheid der gemeente is dan ook niet maar een ideale eenheid, doch een daadwerkelijke, die haar uitdrukking vindt in het breken van het ne brood, in de tucht, en ook in gebed, dankzegging en zang.

Bij den Isralietischen eeredienst werd door zangersafdeelingen gezongen. Van Levi lezen we: "Dezen zijn het, die David gesteld heeft tot het ambt des gezangs in het huis des Heeren, nadat de ark tot rust gekomen was." (1 Kron. 6 : 31.) De Levieten werden onderwezen in het gezang des Heeren, d.i. in de Psalmen, (1 Kron. 25 : 7.) Deze koren der Levieten drukten de nationale eenheid van Isral uit, gelijk we lezen: "En de Levieten, die zangers waren, stonden tegen het Oosten des altaars. En het geschiedde, als zij eenpariglijk trompetten en zongen, om een eenparige stem te laten hooren, prijzende en lovende den Heer, en als zij de stem verhieven met trompetten, en met cimbalen, en andere muziekinstrumenten, en als zij den Heer prezen, dat Hij goed is, dat Zijn weldadigheid is tot in eeuwigheid, - dat het huis met de heerlijkheid des Heeren werd vervuld." (2 Kron. 5 : 12-14.)

Zulk een eeredienst was geheel in overeenstemming met de bedeeling der wet. Mooie kleederen, een mooi gebouw, mooie muziek, stemmen, - dit alles is in overeenstemming met de natuur van den mensch.

Maar de gemeente is geen aardsch, ze is een hemelsch volk. De ware aanbidders, zoo zeide de Heer Jezus tot de Samaritaansche, aanbidden niet in Jeruzalem, niet op den berg Gerizim, maar "in geest en in waarheid." En deze aanbidding is geen voortzetting van de aanbidding van den ouden dag, maar een tegenstelling ervan. De schaduwen zijn voorbij. De werkelijkheid is gekomen. Het zienlijke veranderd in het onzienlijke, het aardsche in het hemelsche, het natuurlijke in het geestelijke. Innerlijke geestelijke gedachten en gevoelens nemen bij de aanbidders nu de plaats in van uiterlijke schoone geluiden, voortgebracht door geoefende zangersafdeelingen; nemen de plaats in van woorden, door enkelen namens allen voorgedragen.

Daarom vinden we in de Brieven der apostelen dan ook geen enkele aanwijzing, dat slechts een deel der gemeente zou zingen; of dat men "bij beurten" in den zang zou deelnemen. Daarom ook geen sprake van muziekinstrumenten ter begeleiding in de gemeentesamenkomst.

We spreken hier niet over het gezang in onze huizen, of bij evangelisatie-arbeid onder klein en groot; niet over het leeren zingen van mooie liederen door een aantal geloovigen. Laat huis en zaal weerklinken van goed ingestudeerde liederen. En laat het hart der zangers met de gezongen woorden meeleven tot Godes eer!

Maar in de gemeente is ieder een zanger, geroepen om ook op deze wijze God te verheerlijken en te dienen. En hij is er toe bekwaam, op grond van het werk van Christus voor hem, en het werk des Heiligen Geestes in hem.

Dit nu stelt voor een groote verantwoordelijkheid.

Ten eerste: om goede liederen te hebben. Liederen, die in overeenstemming zijn met de waarheid en met de bedeeling, waarin wij leven. Liederen, die uitdrukking geven aan hetgeen ons bezig moet houden in de bijeenkomst der gemeente voor God. - Gode zij dank, dat, toen de waarheid van het ne lichaam weer naar voren werd gebracht, God broeders heeft gegeven, die dichterlijke gaven hadden, en die niet alleen de waarheid kenden, maar leefden in hetgeen door allen voor God moet worden gebracht in zoo velerlei opzicht. Welk een schat bezitten wij in de liederen, die wij in de gemeentesamenkomsten als n geheel mogen zingen!

Ten tweede: om zlke liederen te zingen, die op het oogenblik, dat wij samenzijn, de geschikte zijn. En ons dus ook hierin te laten leiden niet door ons gevoel, maar door den Geest van God, die ons het nieuwe leven schonk.

Ten derde: om te bedenken, dat wij tot God spreken, in Zijn tegenwoordigheid geestelijke gedachten uitspreken, en dit doen in vereeniging met al de vergaderden.

Ten vierde: om niet te verlangen naar schoone muziek, naar schoone begeleiding, om niet uit te zien naar een artistiek geheel of geschoolde stemgeluiden, maar om te zingen met den geest en met het verstand.

Ten vijfde: om in den zang, evenals in alle dingen, alles te verrichten zoo goed wij kunnen. Want al gaat het niet om mooi zingen, in niets mogen we toch slordig zijn. We worden vermaand, om elke deugd en elken lof te bedenken; om te bedenken, wat liefelijk is en wl luidt. (Fil. 4 : 8.)

 

Laat dan onze stemmen en onze zielen in den gemeentezang in n accoord opstijgen! Eensgezindheid, volle harmonie is Gode welgevallig. De wijs moge eenvoudig, de woorden niet kunstig gevormd zijn, - als de liederen maar bij de gemeente weerklank kunnen vinden, omdat ongeletterden ze even hartelijk kunnen meezingen als ontwikkelden. Daarom geen te moeilijke wijzen, geen duistere, voor sommigen onverstaanbare woorden. Daarom niet te veel liederen, opdat men niet geestelijk vermoeid worde. Daarom geen ontplooiing van muzikale zangerseffecten. Maar een eendrachtige uitdrukking in zang en lied van wat leeft bij allen, die daar als verlosten samen zijn om den Vader en den Zoon te eeren, en zelf gesticht te worden.