DE EERSTE MAAND VAN HET JAAR.

 

"Deze zelfde maand zal ulieden het hoofd der maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden des jaars zijn!"

Vlak vůůr den plechtigen nacht van het Pascha, sprak de Heer deze woorden tot Mozes en tot Ašron in Egypteland. (Ex. 12 : 1 en 2.)

Later lezen we: "Gedenkt aan dezen zelfden dag, op welken gijlieden uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan zijt; want de Heer heeft u door een sterke hand van hier uitgevoerdÖ Heden gaat gijlieden uit, in de maand Abib." (Ex. 13 : 3 en 4.)

Maand en dag waren door God bepaald, en het volk moest in herinnering houden, dat alles op 's Heeren tijd was veranderd en nieuw geworden.

"Deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis, en gij zult hem den Heer tot een feest vieren; gij zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting." (Ex. 12: 14.)

"En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren, zoo is het juist op denzelfden dag geschied, dat al de heiren des Heeren uit Egypteland gegaan zijn. Dezen nacht zal men den Heer op het vlijtigst houden, omdat Hij ze uit Egypteland uitgeleid heeft; dit is de nacht des Heeren, die op het vlijtigst moet gehouden worden van al de kinderen IsraŽls, onder hun geslachten." (Ex. 12 : 41 en 42.)

We hebben hier den geboortedag, den geboortenacht van een volk. De geboorte-weeŽn waren voorbij. Het geschrei was tot den Heer opgeklommen, en had verhooring gevonden. De IsraŽlieten, die in den ijzeroven hadden gezeten, die zoo onmenschelijk verdrukt waren geweest onder de vreemden, werden nu bevrijd, en de heele jaartelling werd voor hen gewijzigd. Het jaar had als gewoonlijk zijn loop; maar opeens bracht de Heere God er storing in.

Het was een merkwaardige verandering. Tot nu toe was het jaar omstreeks het begin van onze maand October aangevangen. Maar nu moesten zij voortaan het jaar laten beginnen in den aanvang van onze maand April. Deze wijziging in de regeling van den tijd gold niet het gewone burgerlijk jaar, - die tijdrekening behielden ze, - maar was bedoeld voor het godsdienstig jaar. Daarvoor koos de Heer de maand Abib. Abib beteekent "groene aar." Het was de maand, waarin het koren zich in de groene aar bevond. Het was de lente, waarvan de Psalmist zegt: "Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks."

Met den uittocht uit Egypte begon voor IsraŽl als volk van God een nieuw leven. Het vorig leven, in Egyptische slavernij, kwam van dat oogenblik af niet meer in aanmerking. Het jaar als volk van God moest aanvangen met hun verlossing, met hun volksbestaan op grond van het bloed.

Hoe machtig zal dit alles tot IsraŽl gesproken hebben! Door de nieuwe jaartelling werd om zoo te zeggen met den vorigen tijd geen rekening meer gehouden. Ze telden hun jaren van den dag en de maand, waarop ze als volk tot een nieuw leven waren gekomen. En als het goed met hen geweest is, hebben zij steeds den geboortedag, den geboortenacht met veel dank aan God in gedachtenis gehouden en er hun kinderen over gesproken.

 

Dit alles leert ons een hoogst belangrijke waarheid. En wel, dat het leven van den mensch geen beteekenis heeft voor God, zoolang hij niet door het bloed van Christus met God is verzoend, en in Gods gemeenschap is gebracht. Vůůr dien tijd is de mensch in slavernij, dood in zonden en misdaden, vervreemd van het leven Gods, op weg naar het eeuwig verderf. Het ware leven voor hem begint eerst, als hij in en door en met en voor Christus leeft.

Evenals IsraŽls geschiedenis als volk begon met het bloed, met verlossing uit de macht van den dood en den vijand, zoo begint het leven van den mensch (geestelijk genomen) met den dag, waarop hij voor het eerst Jezus heeft aangenomen als zijn Heiland., en zich dus heeft gesteld onder de bescherming van Zijn zoenbloed.

Onze werkelijke geschiedenis begint dus met onze verlossing. WŠt onze levensgeschiedenis vůůr dien tijd ook moge geweest zijn, voor God telt ze niet mee.

Eens werd aan een zeer bejaard man gevraagd, hoe oud hij was. "Drie jaar, mijnheer," antwoordde hij. Toen de vrager hem glimlachend aanzag, zei hij zoo treffend juist: "Ja, mijnheer, voor drie jaar ben ik bekeerd geworden en heb den Heer Jezus aangenomen. Toen begon dus pas mijn leven."

Wat zou het toch goed zijn, als wij allen de dingen zůů leerden beschouwen! Telkens, als we een nieuw jaar beginnen, mogen we dankbaar zijn voor den zegen, dat we weer gespaard zijn. Maar wanneer we ons leven in deze wereld, vůůrdat we behouden waren, leeren beschouwen als een verloren leven, zal het nieuwe, ware leven al onze vreugde uitmaken, en zullen we ons leven in een heel ander licht bezien.

Hoeveel waarde wordt er gehecht aan den geboortedag! En hoe wordt soms geheel vergeten, wanneer men tot het nieuwe leven is gekomen! Johannes spreekt na vijftig jaar nog over de tiende ure, toen hij met Jezus kennismaakte en bij Hem bleef. En al weten wij allen dag en ure niet, waarop wij leerden gelooven, wij weten toch wel, dat er een verandering in ons leven is ingekomen. En van dŠŠr af moeten we beginnen, ons leven te rekenen.

Velen hebben de gewoonte, in Liederboek of Bijbel den datum op te schrijven van hun doop of hun toelating tot de tafel des Heeren. Het is een goede gewoonte. Maar we zouden ze kunnen uitstrekken tot den tijd onzer nieuwe geboorte. Want de eerste maand van het nieuwe jaar voor IsraŽl is een type van de vernieuwing onzer geschiedenis door onze geboorte uit water en Geest.

 

Alles ging van God uit voor het volk van IsraŽl. God Zelf voorzag in Zijn liefde in al wat hun heil betrof. Later konden de kinderen IsraŽls zingen aan de overzijde van de Roode Zee: "De Heer is mijn kracht en mijn lied; Hij is mij tot heil geweest."

Wilde God in liefde Zijn volk uitredden, dan moest ook voldaan worden aan Zijn gerechtigheid. Daarom moest een volkomen lam worden genomen en het bloed er van worden gesprengd buiten op de huizen: op de beide zijposten en den bovendorpel hunner huisdeuren. DŠŠr toch moest een rechtvaardig en heilig God kunnen voorbijgaan, als Hij straks kwam om te oordeelen. En Hij kon alleen voorbijgaan, (omdat ook de IsraŽlieten schuldig waren,) als te voren het oordeel had plaats gevonden; als ten behoeve van het schuldige volk een schuldeloos lam de plaats had ingenomen, en het bloed er van als teeken was aangebracht aan het huis, waarin men zich bevond.

Hetzelfde beginsel vinden wij in Johannes 3. De Zoon des menschen moest verhoogd worden. Christus moest lijden en sterven, wilden zondaars gered worden. Maar aan de eischen van Gods gerechtigheid werd voldaan door de gave Zijner liefde. "Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft."

Wij weten, dat het Pascha een type is vŠn onze verzoening door het bloed van Christus. Paulus zegt: "Ook ons Pascha, Christus, is voor ons geslacht." (1 Kor. 5 : 7.) Het kostbare bloed van Christus, waarachter wij schuilen, bevrijdt ons van Gods oordeel, dat ons anders zou moeten treffen.

Deze grondwaarheid van het Evangelie kunnen wij niet genoeg beschouwen. Het bloed is de grond van onzen vrede. Alleen op den grondslag van het bloed kan God naderen tot ons, en kunnen wij naderen tot God. Het nieuwe leven is ons deel door de werking van Gods Woord en Geest, maar alleen door middel van de offerande van het lichaam van Christus. Op het Godslam moet onze ziele rusten. Hij, in Wien God Zelf kan rusten, is het rustpunt ook voor ons.

En nog iets. God leert ons in betrekking tot dezen geboortedag van het volk van IsraŽl nÚg een les. Niet alleen moesten zij bevrijd worden van de schuld der zonde, maar ook van de macht er van. Dit laatste vond plaats, toen zij door de Roode Zee trokken, en zij aan de overzijde al hun vijanden dood zagen liggen aan den oever der zee.

God deed alles. "Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des Heeren." Daarom werd ook God grootelijks verheerlijkt.

Jehovah had een groot werk aan de Egyptenaren gedaan. Jehovah had de macht van den vijand verbroken. En het volk kon dan ook zingen van de heerlijke overwinning des Heeren, en Hem grootmaken, aan Wien zij alles te danken hadden. "Ik zal den Heere zingen, want Hij is hoog verheven." En uit dankbaarheid voegden zij bij hun lof deze belofte: "Deze is mijn God, daarom zal ik Hem een liefelijke woning maken; Hij is mijns vaders God, dies zal ik Hem verheffen."

Ook voor ons is het zoo, dat God alles deed. Wij hebben maar stil te staan en toe te zien. Het heil is des Heeren. God heeft voor ons verzoening aangebracht door het bloed; Hij heeft ons verlost uit de machten, die ons gevangen hielden. (Ex. 5 : l; 12 : 14.) Alle zonden zijn voorgoed verdwenen; en de zondemacht is voor ons verbroken. Een heerlijk heil is ons verworven. Nu mogen we liederen van verlossing zingen; het feest onzer verlossing vieren: uit de macht van Satan en zonde; uit de macht van deze booze en duistere wereld. Nu moeten we, diep onder den indruk van hetgeen God deed, het nieuwe leven beginnen en voortzetten. Nu moet onze heele levensgeschiedenis, van den dag onzer nieuwe geboorte af, gekenmerkt zijn door dankbaarheid aan Hem, die alles zoo wonderlijk goed voor ons maakte.

"Gedenkt, gedenkt!" roept de Heer den IsraŽlieten toe. Nooit mocht IsraŽl dien dag, dien nacht vergeten. Het was een dag, een nacht des Heeren. Jehovah had Zijn volk verlost. Als een verlost volk moesten zij nu reizen naar het beloofde land. - In het Boek Deuteronomium wordt zelfs als een inzetting gegeven, dat zij die maand, de maand Abib, moesten waarnemen jaar op jaar. Al de dagen huns levens moesten ze weer terugdenken aan den eersten dag van het nieuwe leven.

Zoo is het ook met ons, die staan op den bodem der opstanding. Met Christus opgewekt, moeten wij er altijd weer aan denken, dat Hij ons leven is. Met Hem begon onze geschiedenis. En als we dit doen, zullen we niet alleen met dankbaarheid vervuld zijn, en behoefte hebben, daaraan uiting te geven, maar zullen we ook als vanzelf de dingen zoeken en bedenken, die boven zijn, omdat Christus, ons leven, dŠŠr is, aan Gods rechterhand.

Christus overwon voor ons. Wij roemen in Zijn overwinning. Daarom zetten we ons hart niet op de dingen dezer aarde; dingen, die zoo vaak Gods volk aan- en aftrekken, en aldus het getuigenis verzwakken.

Met een voornemen des harten blijven we bij den Heer. Ook het nieuwe burgerlijke jaar, dat we thans zijn ingetreden. Bedenken we echter wel: niet met bloote voornemens of goed bedoelde besluiten. Neen, met ons hart. Want alleen in gemeenschap met Hem, en geleid door Zijn Woord, kan ons leven, dat heerlijke nieuwe leven, een leven zijn, waardoor God in deze wereld wordt verheerlijkt.

Christus, die alles voor ons deed, - het heil is des Heeren! - moet het levende Voorwerp des geloofs zijn, dat ons hart geheel vervult en voldoet.