Het Boek der Spreuken.

 

TWEEDE GEDEELTE.

Hoofdstukken 10-24.

 

Een schildering van het goed en het kwaad in het hart en in de wegen, met hun gevolgen.

Spreuken 14 : 13-25.

 

"Het hart zal ook in het lachen smart hebben, en het laatste van die blijdschap is droefheid." (Vers 13.)
"Die afkeerig van hart is, zal van zijn wegen verzadigd worden, maar een goed man van zichzelven." (Vers 14.)
"De onnoozele gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang." (Vers 15.)
"De wijze vreest en wijkt van het kwade; maar de zot is oploopend toornig en zorgeloos." (Vers 16.)
"Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen, en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden." (Vers 17.)
"De onwijzen erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen." (Vers 18.)
"De kwaden buigen voor het aangezicht der goeden neder, en de goddeloozen voor de poorten der rechtvaardigen." (Vers 19.)
"De arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat; maar de liefhebbers des rijken zijn velen." (Vers 20.)
"Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich der nederigen ontfermt, die is welgelukzalig." (Vers 21.)
"Dwalen zij niet, die kwaad stichten? Maar weldadigheid en trouw is voor degenen, die goed stichten." (Vers 22.)
"In allen smartelijken arbeid is overschot; maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek." (Vers 23.)
"Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid." (Vers 24.)
"Een waarachtig getuige redt de zieken; maar die leugens blaast, is een bedrieger." (Vers 25.)

In dit dertiental verzen bezitten we een schoone schildering van het goede en het kwade in het hart des menschen; maar dat niet alleen, want ook worden we beziggehouden met de gevolgen er van en met de wegen, die God met den mensch houdt.

In het eerste van deze dertien verzen is sprake van smart in het lachen. Dat lachen is wel de uitdrukking van een zekere vreugde, maar niet van "blijdschap in den Heer." "Is iemand goedsmoeds, d.i. vroolijk, - zegt Jakobus in hoofdstuk 5 van zijn Brief, - dat hij psalmzinge." Het lachen kan wel een oogenblik de moeiten en zorgen des levens doen vergeten, en is wel hoogstens een soort van verstrooi´ng, maar in den grond blijft het hart tˇch bedroefd; en als na het genoegen de mensch weer komt te staan tegenover zijn zorgen des levens, dan gevoelt hij zich nog veel somberder, juist door deze voorbijgaande pret, en gemelijkheid voegt zich nog bij de droefheid.

Vers. 14 is met het voorgaande vers verbonden. Het afkeerige hart is niet het hart, dat weer na een oogenblikkelijke verstrooi´ng terugvalt in zijn droefheid, maar het is het hart, dat zich van God verwijdert. Het wordt verzadigd tot walgens toe van datgene, wat het gezocht heeft buiten God om. De mensch Gods daarentegen, hier genoemd "een goed man," zal zich verzadigen aan de goede dingen, die hij heeft voortgebracht; "goede dingen brengt hij voort uit den goeden schat zijns harten." (Matth. 12:35.)

Vers 15. Hij, die geen onderscheidingsvermogen bezit en niet kent, wat er in het hart van een mensch gevonden wordt, hecht geloof aan al diens woorden, en wordt, zonder het te vermoeden, op die manier in verkeerde wegen geleid. De kloekzinnige, de man van verstand evenwel, in plaats van zich aan de raadgevingen van een ander toe te vertrouwen, geeft op den wandel acht, opdat hij zelf niet struikele of niet op een verkeerden weg ga.

Vers 16 hangt samen met het vorige vers. De wijze vreest door ootmoed, en is op zijn hoede, als hem iets wordt voorgesteld, en hij wacht zich ook voor zichzelf. De argwaan doet hem zich verre houden van alle kwaad, om Gode niet te mishagen. Bij den zot hebben we het tegenovergestelde. Zonder na te denken handelt hij in een waanwijs zelfvertrouwen, en geeft zich, gebonden aan handen en voeten, aan het hem voorgestelde kwaad over.

Vers 17. Die haastig is tot toorn volbrengt Gods gerechtigheid niet. In het voorbijgaan wijzen we even op de overeenstemming tusschen de Spreuken en den Brief van Jakobus. Ook van den toorn spreekt Jakobus en zegt dan: De toorn des mans volbrengt niet Gods gerechtigheid. (Hfdst. 1 : 19, 20.) Dat haastig-zijn werkt uit, dat men handelingen verricht, die tegenovergesteld zijn aan de wijsheid. Er is evenwel iets, dat nog hatelijker is dan deze haast, en waardoor alle zelfbedwang en zelfbeoordeeling verloren gaan, n.l. de schandelijke verdichtselen des harten, de geheime voornemens, het bedrog van hen, (zie Spr. 12 : 20.) die in het geheim kwaad smeden.

Vers 18. De onwijzen, zij, die van alle verstand zijn ontbloot, en wier karakter ook niet veranderd wordt door de leeringen der Wijsheid, hebben geen andere erfenis dan de dwaasheid, d. i. het totaal onbekend zijn met Gods gedachten. - De kloekzinnigen echter, zij, wier verstand vaardig is, om te onderscheiden en te besluiten ten aanzien van het goede, worden met kennis gekroond. Dat is aan het einde van hun weg hun belooning. Voor geloovigen in Christus nu zal die kroon daarin bestaan, dat zij zullen kennen, zooals zij gekend zijn. (1 Kor. 13 : 12.)

Wat vers 19 ons leert, zal plaatsvinden aan het einde van Gods wegen en Zijn regeering. De geschiedenis der wereld houdt ons geheel tegenovergestelde uitkomsten voor. Maar God veroorlooft ons, in een tijd, dat het kwaad den boventoon heeft, Zijn nog verborgen wegen te kennen, en te weten, wat het einde wezen zal. De gerechtigheid zal triomfeeren. In Haman, zich neerbuigend voor Mordecha´, die zoo lang aan de poort des Konings gezeten had, hebben we een treffende illustratie.

Vers 20. De arme wordt gehaat - zelfs door zijn metgezel! Hoe kan dit woord ten volle worden toegepast op Christus! Wat heeft Hij, behalve dan van degenen, die door Zijn genade waren aangeroerd, anders ondervonden - Hij, de waarlijk arme! - in deze wereld? Herinneren we ons slechts Zijn klacht: "Zij hebben Mij zonder oorzaak gehaat!'' "De man Mijns vredes - d.i. Mijn intieme vriend, - die Mijn brood at, heeft de verzenen tegen Mij grootelijks verheven." (Ps. 41 : 10.) - Beschouwen we daarentegen de rijke, dan zien we hem omringd door vele vrienden. Het menschelijk hart wordt voornamelijk beheerscht door belangen. Het geniet gaarne den rijkdom, de goederen trekken aan, maar de wonderbare genade wekt zijn haat op. (Zie hfdst. 19 : 4, 7.)

Vers 21 is een vervolg op het twintigste, wat den inhoud betreft. Vergelijken we het ook met Luk. 16 : 13. De haat en verachting wordt door den mensch geopenbaard jegens degenen, die God voorstellen in deze wereld. Maar het is een geluk, genade te openbaren jegens de nederigen. Een zoodanige betooning van zachtmoedigheid brengt in de toekomst een belooning over dengene, die haar bewijst. Zalig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden. (Matth. 5 : 7.)

De vraag in vers 22 staat gelijk met het geven van het antwoord, hetzij het geldt degenen, wier hart vol is van bedrog, om kwaad over anderen te brengen, hetzij er sprake is van hen, wier doel het Is het goede rondom zich te verspreiden, en die de karaktertrekken vertoonen van Hem, door Wien genade en waarheid geworden zijn.

Vers 23. Elk werk, wat het ook wezen moge, geeft gewin aan anderen, en aan dengene, die den arbeid verricht, eveneens. (Vergeten we nooit, dat de letterlijke beteekenis der Spreuken steeds den geestelijken zin dekt, en dat dit Boek niet zonder reden dat der Wijsheid heet.) Het woord der lippen, dat niet gepaard gaat met werken, waardoor het wordt versterkt bij hem, die spreekt, is niet alleen weinig meer dan wind, maar het laat de zielen ten prooi aan den honger. Hoe wßßr is dit! Als de werken van hem, die spreekt, niet gelijken tred houden met zijn woorden, dan zullen deze woorden den hoorders tot geenerlei nut strekken.

Vers 24. De rijkdommen der wijzen zijn hun belooning. Het zijn niet alleen aardsche zegeningen, een vergelding naar de beginselen der regeering Gods, maar het is de wijsheid, die gebruikt voor God datgene, wat zij bezit, en die voor de getrouwheid nog meer ontvangt. Maar de zotten bezitten niets dan hun dwaasheid. Het is niet, dat hun huis niet overloopt van hun goederen, maar hun geldt het woord: "Dwaas! nog dezen nacht zal men uwe ziel van u afeischen; en wat gij bereid hebt, wiens zal het zijn?" (Luk. 12 : 20.) Daarna wordt er op gewezen, dat dwaasheid dwaasheid is.

Vers 25. In vers 5 lazen we: "Een waarachtig getuige zal niet liegen." Daar vinden we een karaktertrek. In dit vers, vers 25, wordt ons gezegd, wat hij doet, n.l. "hij redt de zielen." Welk een gelukkige opdracht! Het voorstellen van de waarheid, en de getrouwheid in het getuigenis hebben tot resultaat, dat de zielen worden bevrijd uit de dwingelandij van den vijand. Die leugens blaast daarentegen, bedriegt de zielen. Vers 5 zegt: "Een valsch getuige blaast leugens." De zielen worden gebracht onder het slavenjuk van den vader der leugenen!