Het Boek der Spreuken.

 

TWEEDE GEDEELTE.

Hoofdstukken 10-24.

 

Dwaasheid en rechtschapenheid.

Spreuken 14 : 9-12.

 

"Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid." (Vers 9.)
"Het hart kent zijn eigen bittere droefheid, en een vreemde zal zich met deszelfs blijdschap niet vermengen." (Vers 10.)
"Het huis der goddeloozen zal verdelgd worden; maar de tent der oprechten zal bloeien." (Vers 11.)
"Daar is een weg, die iemand recht schijnt, maar het laatste van dien zijn wegen des doods." (Vers 12.)

In dit viertal verzen wordt ons geleerd, wat dwaasheid en wat rechtschapenheid is.

De dwazen, over wie het negende vers spreekt, behandelen de zonde lichtvaardig, ze vermaken er zich over en hechten er geen gewicht aan, maar de zonde zal het oordeel op hun hoofd doen neerkomen en zal de oorzaak van hun val zijn. Welk een verschil met de rechtvaardigen! De gunst Gods is op hen of onder hen, want ze zoeken deze ook voor anderen.

Bitterheid, zoowel als blijdschap des harten, vers 10, kunnen door toeschouwers noch gekend, noch gepeild, noch gedeeld worden. God alleen kent haar, omdat Hij de harten kent. En als navolgers Gods worden de geloovigen vermaand, te weenen met de weenenden en blijde te zijn met de blijden. Hanna, de moeder van SamuŽl, goot "haar ziel uit voor het aangezicht des Heeren" en werd vertroost. God neemt deel zoowel aan onze blijdschap als aan onze droefheid. Hij openbaart in Christus op volkomen wijze medegevoel, en Hij alleen kan zeggen: "Men behoorde dan vroolijk en blijde te zijn." (Luk. 15: 32.)

De goddeloozen kunnen zich wel een huis bouwen, en hun nageslacht op een schijnbaar stevigen grondslag vestigen, maar er zal een oogenblik komen, dat het huis zal worden verdelgd. Er wordt in dit elfde vers niet aan het einde in de toekomst, maar aan Gods wegen in dit leven gedacht. De oprechten bezitten als vreemdelingen en bijwoners slechts een tent, maar hun tent bloeit. In Gods oog zijn "de tenten Jakobs, de woningen van IsraŽl, als de hoven aan de rivieren, als door den Heer geplante sandelboomen, als cederboomen aan het water." (Num. 24 : 6.)

Door vers 12, en dat is zoo belangrijk in dit vers, weten we, dat het geweten van den mensch geen betrouwbare gids is. Iemand kan zijn weg voor goed houden, terwijl toch aan het eind blijkt, dat deze in den dood eindigt.