Het Boek der Spreuken.

 

TWEEDE GEDEELTE.

Hoofdstukken 10-24.

 

Wegen van den wijze en van den dwaas.

Spreuken 14 : 1-8.

 

"Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen." (Vs. 1.)
"Die in zijn oprechtheid wandelt, vreest den Heer, maar die afwijkt in zijn wegen, veracht Hem. (Vs. 2.)
"In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren ben." (Vs. 3.)
"Als er geene ossen zijn, zoo is de kribbe rein; maar door de kracht van den os is der inkomsten veel." (Vs. 4.)
"Een waarachtig getuige zal niet liegen; maar een valsch getuige blaast leugenen." (Vs. 5.)
"De spotter zoekt wijsheid en daar is geen; maar de wetenschap is voor den verstandige licht." (Vs. 6.)
"Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans, want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken." (Vs. 7.)
"De wijsheid der kloekzinnigen is, zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij." (Vs. 8.)

In dit eerste achttal ontmoeten we de tegenstelling tusschen de wijsheid en de dwaasheid; tusschen degenen, die in oprechtheid hun weg gaan, en hen, die de dwaasheid najagen.

Het eerste vers kan, hoewel de beteekenis er niet door gewijzigd wordt, ook gelezen worden als volgt: "De wijsheid der vrouw bouwt haar huis, maar de dwaasheid breekt het met haar eigen handen af." Nog meer treedt dan op den voorgrond, waarom het eigenlijk gaat. De wijsheid, hier bedoeld, schijnt de Wijsheid van Boven te wezen, en het is buitengewoon kostelijk op te merken, dat God aan vrouwen wijsheid van Boven verleenen wil met het oog op de eenvoudige, maar niettemin belangrijke bezigheden, waardoor het huis wordt gebouwd. Vooral in onzen tijd, dien van het vrouwenvraagstuk en van de zoogenaamde vrijmaking der vrouw, is deze gedachte gewichtig, omdat het huiswerk, het bouwen van het huis, zoo licht in verachting komen kan, of althans als minderwaardig kan worden beschouwd. Een treffende illustratie voor deze waarheid is de vrouw uit Spreuken 31. Daar zien we wat er bedoeld wordt met het bouwen van het huis door de wijsheid der vrouw. En een merkwaardig voorbeeld ontmoeten we tevens in Naomi, die door Ruth het huis van David gebouwd heeft. (Ruth 4 : 11.)

Het is de roeping der vrouw te arbeiden in overeenstemming met Gods gedachten aan de oprichting en instandhouding van haar huis. De dwaasheid daarentegen breekt het met eigen handen af. Het hart, hetwelk buiten God leeft, en geen ervaring opdoet in Gods leerschool, is tot het bouwen onbekwaam. Altijd zoekt de mensch te vernietigen wat de wijsheid gebouwd heeft, en de geschiedenis van Eden af is daar, om deze droeve waarheid op de overtuigendste wijze te veraanschouwelijken. Vooral de geschiedenis der laatste tijden, die van het verval der Gemeente, levert beschamend bewijsmateriaal.

Als de mensch, gelijk het in het tweede vers gezegd wordt, wandelt in zijn oprechtheid, d.i. als het wandelen op den rechten weg een vrucht is van den toestand des harten, dan is wel het bewijs geleverd, dat een zoodanige den Heer vreest, d.w.z. rekening houdt met Gods gedachten. Af te wijken in zijn wegen, maakt niet alleen openbaar, dat men God niet vreest, maar tevens, dat men geenerlei rekening houdt met Hem, dat men Hem als een verachtelijk wezen verwerpt. De rechtvaardige vreest God en doet zulks door Hem te eeren, maar hoe zou dit beter kunnen geschieden dan door ons gedrag?

In het derde vers ontmoeten we opnieuw een tegenstelling: de woorden, die uit den mond van den dwaas uitgaan, zijn de uitdrukking van zijn hoogmoed en zullen zijn veroordeeling uitmaken, als hij zal worden gestraft. ("Uit uw mond zal ik u oordeelen, booze slaaf!" Luk. 19 : 22.) Maar de woorden op de lippen der wijzen zullen hen bewaren voor alle bestraffing inplaats van hen te veroordeelen.

De os is in de Schrift het symbool van kracht en van volharding in den arbeid. Waar geen ossen zijn, daar waar kracht en volharding ontbreken, daar is de kribbe rein, ledig. Het voedsel is zoowel de vrucht van den arbeid als de bron der kracht. En dat voedsel wordt dan gemist. Hoe zou het voedsel kunnen worden verkregen buiten den arbeid om, en waartoe zou het dienen, als er niet wordt gearbeid? De veelheid der inkomsten ligt verborgen in de volharding, om de kracht te gebruiken, die God ons geeft. Schoon beginsel! Wie het verwerpt, ontkent daarmede de bedoeling van het Goddelijk Woord. Hoe toepasselijk is ook dit woord voor hen, die arbeiden in het Werk des Heeren!

"Zorgt God voor de ossen? Of zegt Hij dit alleszins om onzentwil?" schrijft Paulus, als hij een woord uit Deuteronomium aanhaalt, waar ten aanzien van den os, van den dorschenden os, gezegd wordt, dat men dien niet muilbanden zal, en dan dit woord in zijn meer uitgebreide beteekenis, in zijn dieperen zin toepast. (1 Kor. 9 : 9.)

Zoodra er leugen in het spel komt, kan er geen getrouwheid in het getuigenis zijn, en van het oogenblik af, dat er valschheid in het getuigenis indringt, zijn er noodzakelijk ook leugens. Hoe gewichtig is dit, om ons in deze wereld het getuigenis Gods te doen herkennen.

Ondanks alle beweringen van den mensch, om wijsheid te kunnen verkrijgen buiten God om, bestaat er toch geen andere wijsheid dan die, welke gelegen is in de kennis der gedachten Gods. Hoe zou men nu kennis der gedachten Gods kunnen opdoen, als men een spotter is, d.i. als men voor niet werkelijk gebeurd houdt, wat God gesproken heeft? De spotter zal zoeken en zoeken, maar niet tot de ware wijsheid geraken, omdat hij zoekt, waar niets is. Is dit niet een hoofdtrek van de menschelijke philosophie door alle eeuwen heen? De mensch, wiens verstand door den Heer is geopend (Luk. 24 : 45.) vindt gemakkelijk de kennis Zijner gedachten.

Het zevende vers luidt in de nieuwe vertaling een weinig anders. In de tweede helft, nl., staat daar: "Ga weg uit de tegenwoordigheid van een zinneloos mensch, bij wien gij geen lippen der wetenschap gemerkt hebt."

't Is duidelijk, dat dit vers bij het vorige aansluit. De spotter kan wel den schijn aannemen van te zoeken naar waarheid en naar wijsheid, maar daar zij in den grond der zaak voor hem niet bestaat, wijl hij God wegcijfert, daar is en blijft hij een zot, een eigenwillige onwetende, wiens onwetendheid zich in zijn redenen verraadt. Als gij, naar hem luisterende, niets anders kunt vernemen dan deze onwetendheid, vermijd dan alle aanraking met hem!

Ten slotte komt in het achtste vers de tegenstelling tusschen de wijsheid en de dwaasheid het helderst uit. Als de bedachtzame man, wiens blik onbeneveld is, een beslissing nemen moet ten aanzien van een door hem te volgen weg, dan zal hij dezen weg wl onderscheiden. Dit onderscheidingsvermogen is vrucht van ontvangen onderwijzing en is van Goddelijken oorsprong. De onwijze en onwetende daarentegen komt met zijn wegen bedrogen uit, omdat hij niet de Wijsheid, maar de dwaasheid als leidsvrouwe kiest.