Het Boek der Spreuken.

TWEEDE GEDEELTE.

Hoofdstukken 10-24.

 

Veelheid der spijs.

Spreuken 13 : 21-25.

 

"Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den rechtvaardige zal men goed vergelden." (Vs. 21.)
"De goede zal zijner kinders kinderen doen erven; maar het vermogen des zondaars is voor den rechtvaardige weggelegd." (Vs. 22.)
"Het ploegen der armen geeft veelheid der spijs, maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel." (Vs. 24.)
"Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging." (Vs. 24.)
"De rechtvaardige eet tot verzadiging zijner ziel toe; maar de buik der goddeloozen zal gebrek hebben." (Vs. 25.)

De zondaars hebben geen toevlucht, als ze door den wreker worden vervolgd om hun schuld. Zij vinden noch rust, noch veiligheid. De rechtvaardigen evenwel vervolgen in vrede hun weg, de belooning tegemoet; zij zijn zeker, dat zij het goede zullen vinden, dat het volmaakte hun deel zal wezen, en dat zij eenmaal zullen worden verzadigd.

Zoo schoon staat het in het ons welbekende lied: "Met den vrede Gods in 't harte, Ga ik hier door smart en strijd; Eeuwge rust vind ik daarboven, In des Godslams heerlijkheid."

De Spreuken leiden ons niet in de hemelsche goederen in, maar het is toch treffend om te zien, dat de wijze goed vergadert, waarvan zijn kindskinderen het genot hebben. Eigenliefde wordt hier niet gevonden. Wat de wijze bezit, bezit bij voorzoover hij er anderen in kan doen deelen. Wat zal het heerlijk zijn, als deze beginselen worden verwezenlijkt in het Duizendjarig Rijk! Wat de zondaar bijeenbrengt, wordt voor den rechtvaardige bewaard, die er van genieten zal onder de vreedzame regeering van den Messias.

Intusschen - de arbeid wordt beloond. Het nijvere ploegen van den arme om het onvruchtbare veld in een vruchtbaren akker om te zetten, opdat hij hebbe, wat hij behoeft voor zijn gezin, wordt overvloedig gezegend. Deze arme heeft bij al zijn werken en zwoegen op te zien tot God, meer dan die vele velden heeft. De vrucht zou ook na het ploegen kunnen teleurstellen, en dan zou voor hem en voor zijn kinderen alles verloren zijn.

Het woord: "Die verteerd wordt door gebrek van oordeel" luidt in de nieuwe vertaling: "Die verloren gaat door gebrek aan regel of orde." Wanneer de werkzaamheid geen bepaald doel in het oog houdt, wanneer er geen regel bij het werk is, en de ijver wordt verspild aan velerlei werk, in plaats dat de kracht gegeven wordt aan één bepaald werk, dan gaat de vrucht verloren. Niemand heeft er voordeel van. Hoe waar is ook dit vooral weer in geestelijk opzicht!

Het vier-en-twintigste vers sluit zich aan bij het eerste vers van ons hoofdstuk, waarin sprake is over de tucht des vaders en over diens bestraffing. Gebrek aan ware liefde doet de bestraffing inhouden. God als Vader betoont hierin Zijn liefde tot Zijn kinderen, dat Hij ze kastijdt. Het volmaakte voorbeeld sta ons voor oogen. Hij zoekt de Zijnen vroeg met tuchtiging, of, zooals er letterlijk staat, Hij is waardig om de Zijnen te kastijden. "Hij onttrekt Zijn oogen niet van den rechtvaardige," zegt Elihu. (Job 36: 7.)

Het laatste vers kunnen we in verbinding lezen met vers 23. Als de rechtvaardige eet, voedt hij niet alleen zijn lichaam, maar verzadigt hij ook zijn ziel. "Hetzij dan dat gij eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het alles ter eere Gods." (1 Kor. 10 : 31.) In tegenstelling met de ziel des rechtvaardigen, zien wij den buik der goddeloozen. Zij, wier God de buik is, zullen slechts gebrek vinden in die dingen, waarmede zij hun lichamen zoeken te verzadigen.