WONDEREN.

 

Een wonder is 't, oneindig groot,
Dat ik, zoo diep verloren,
Door Jezus' liefde ben gezocht,
Door Hem ben uitverkoren,
Dat Hij Zijn leven voor mij gaf
En voor mij droeg der zonden straf.

 

Een wonder, onuitspreeklijk groot,
Gods kind mag ik nu wezen.
'k Rust op Zijn schouders, aan Zijn borst;
Daar heb ik niets te vreezen;
Daar is mijn hart gerust en blij,
Zijn kracht, Zijn liefde dragen mij.

 

Een wonder, onbegrijplijk groot:
Als 't kind is afgeweken,
Dan is Gods eindeloos geduld
Te sterker nog gebleken.
De Vader rust niet, voor Zijn kind
In Hem weer al zijn vreugde vindt.

 

Wat wonder, als in ít Vaderhuis
De Bruid zal binnenkomen,
En naast den Bruigom, aan Zijn zij,
Haar plaats heeft ingenomen;
Geen zonde meer, het leed voorbij,
Ik ben volmaakt, volmaakt als Hij!

 

N. C. O.

Vorig gedicht

Volgend gedicht