CORRESPONDENTIE.

 

N. te Amersfoort vraagt, waar geschreven staat, dat de engelen zongen. "In een onzer liederen komt de regel voor: Blijde stond, toen d'eng'len zongen. Is dit wel goed? We lezen toch alleen, dat de engelen "zeggen" of "spreken," "juichen" of "prijzen," "zich verblijden." Is het niet zoo, dat alleen verloste zondaars kunnen zingen?

 

Over dit punt is al veel gestreden. Een oude, ervaren broeder was gewoon er op te antwoorden: "Laat ons maar afwachten, tot we Boven zijn!"

Toch is er aan de hand der Schrift wel eenig licht te geven over dit onderwerp.

In Job worden de engelen "kinderen Gods" genoemd. In de nieuwe vertaling is het oorspronkelijke, omdat dit zoo behoort, overgezet in "zonen Gods." Zonen duidt het standpunt, kinderen de betrekking aan. Het woord kind geeft uitdrukking aan de innige betrekking; het woord zoon aan de uitgestrektheid van het voorrecht. De engelen zijn boden, boodschappers, krachtige helden, gehoorzame dienaren. Maar ze worden ook zonen genoemd, omdat zij door God zijn geschapen, en in dit bewustzijn voor Zijn aangezicht leven en zich bewegen.

Uit Job 38 blijkt duidelijk dat met de uitdrukking kinderen Gods of zonen Gods de engelen worden bedoeld. God spreekt daar van de schepping van het heelal, toen er nog geen menschen waren, en vraagt dan aan Job: "Waarop zijn hare grondvesten nedergezonken, of wie heeft haren hoeksteen gelegd, toen de morgensterren te zamen vroolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten?" In Job 1 en 2, evenals in Gen. 6 : 2 en 4, (vergelijk deze laatstgenoemde teksten met Judas : 6 en 7), wordt derhalve ook over engelen gesproken.

Maar er is nog een beeld, waarmee de engelen worden aangeduid. In Jesaja 14 : 12 wordt over den koning van Babel geprofeteerd, zooals de Heere God dien aanschouwt van het begin tot het einde. En hij wordt dan morgenster genoemd, zoon des dageraads. Hij is daarin een type van Satan, een gezalfde, overdekkende cherub, een morgenster, een zoon des dageraads, maar door hoogmoed gevallen. De morgenster wordt dus als beeld gebruikt voor geesten.

In Job nu worden de engelen, die voor Gods aangezicht leven, morgensterren genoemd. God plaatst daar "morgensterren" en "kinderen Gods" blijkbaar naast elkaar, om er op te wijzen, hoe zij, die als schitterende sterren zijn, en gereed staan Gods bevel te gehoorzamen, zich met groote vreugde verheugden, toen God de aarde grondde. Van deze "morgensterren" nu lezen we in Job 38 : 7, dat zij vroolijk zongen.

De nieuwe vertaling heeft hier: jubelden. Dit maakt meteen duidelijk, welk soort van zingen er wordt bedoeld. Want zooals er een groot onderscheid is tusschen het kindschap en zoonschap der verlosten en dat der engelen, (bij de verlosten is het door geboorte uit God, bij de engelen door hun geschapen zijn door God) zoo is er ook een groot verschil tusschen het zingen der verlosten en het zingen der engelen. De "oudsten" in Openb. 5 : 4 zingen het nieuwe lied der verlossing, het lied der genade. De "engelen" daarentegen zingen in den zin van God-prijzen, van een jubelzang aanheffen Hem ter eer.