QUARTUS.

Kent gij broeder Quartus?

Zijn naam komt voor aan het slot van den brief aan de Romeinen. In dat bekende laatste hoofdstuk vinden wij een lange lijst van geloovigen, die gegroet worden, of groeten overbrengen. De laatste groetenis nu is er een van broeder Quartus. - Hij moet een man met een hart vol liefde geweest zijn. "Broeder Quartus", dat is het eenige, wat wij van hem hooren. De andere namen die in Rom. 16 voorkomen, zijn alle meer of minder bekend. Tertius heeft den brief geschreven, Gajus, de gastheer van Paulus en van de geheele gemeente, was ongetwijfeld een man van invloed. Erastus was de rentmeester der stad. Maar Quartus was slechts een eenvoudige, een bescheiden Christen, wiens naam alleen bekend was door zijn broederliefde; door het verlangen, zijn broeders in Rome, die hij wel nooit gezien zal hebben, van zijn liefde te verzekeren. Hij vraagt maar om een heel bescheiden plaatsje aan het slot van Paulus' brief, en het wordt hem toegestaan, om als broeder zijn medebroeders te groeten. Daar staat "broeder Quartus" nu in zijn hoekje als een voorbeeld voor degenen, die oogen hebben om naar hem te zien, en ooren om van hem te leeren. De Heilige Geest heeft hem deze plaats gegeven. En in den loop der eeuwen hebben misschien millioenen zijn naam vluchtig gelezen, zonder er verder acht op te slaan. Ditmaal echter willen wij hem niet voorbijgaan.

Quartus is een voorbeeld van bescheidenheid. Jeremia moest eens in den naam des Heeren tot Baruch zeggen: "En gij? Zoudt gij u groote dingen zoeken? Zoek ze niet!" God wil, dat we er mee tevreden zijn, onbekend te leven en te sterven. God kan ons groot maken; maar we moeten niet naar groote dingen zoeken. Laat echter steeds liefde onzen levenstuin doorwaaien. We moeten liefde om ons heen verspreiden. Liefde, niet alleen in ons eigen kringetje, maar overal, wijd en zijd. Spreken en schrijven over liefde baat niets, als we haar niet bewijzen. "Toont het bewijs uwer liefde," zegt Paulus in 2 Kor. 8 : 24. Verblijd er u over, dat gij een lid zijt van de groote familie Gods, en dat alle leden dier familie kinderen van één Vader zijn en daarom dus ten nauwste met elkander verbonden.

De schijnbaar onaanzienlijke groet aan het einde van den wonderschoonen brief aan de Romeinen, doet ons een weinig de beteekenis begrijpen van de saamhoorigheid der geloovigen; van de vereenigende kracht van het Evangelie. Toen de Heer Jezus op aarde kwam, heerschte er door nationalen haat een groote verdeeldheid. Er broeide een groote vijandschap van rassen, van talen, van godsdiensten. De verwijdering was veel grooter dan we ons kunnen voorstellen. Toen kwam het Evangelie en vereenigde de menschen van allerlei volk en natie, van allerlei rang en stand tot één familie in Christus Jezus. Van dat oogenblik aan begon de invloed der broederliefde de wereld te doordringen. God Zelf leerde Zijn kinderen, elkander lief te hebben. (1 Thess. 4 : 9.) De Heer Jezus gaf Zijn discipelen een "nieuw gebod": "Gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt!" (Joh. 13 : 34.) En de Heilige Geest vermaant ons in Hebreën 13 : 1: "Dat de broederlijke liefde blijve!"

"Geliefden! laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en een iegelijk, die liefheeft, is uit God geboren en kent God. Wie niet liefheeft, heeft God niet gekend; want God is liefde." (1 Joh. 4 : 7, 8.)