Het Boek der Spreuken.

 

TWEEDE GEDEELTE.

Hoofdstukken 10-24.

 

De gevolgen van het luisteren en niet-luisteren naar de onderwijzingen der wijsheid.

Spreuken 13 : 13-20.

 

"Die het woord veracht, zal verdorven worden; maar wie het gebod vreest, dien zal vergolden worden." (Vs. 13.)
"Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods." (Vs. 14.)
"Goed verstand geeft aangenaamheid, maar de weg des trouweloozen is streng." (Vs. 15.)
"Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap, maar een zot breidt dwaasheid uit." (Vs. 16.)
"Een goddelooze bode zal in het kwaad vallen, maar een trouw gezant is medicijn." (Vs. 17.)
"Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt, maar die de bestraffing waarneemt, zal geerd worden." (Vs. 18.)
"De begeerte, die geschiedt, is zoet voor de ziel, maar het is den zotten een gruwel, van het kwade af te wijken. Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die des zotten metgezel is, zal verbroken worden." (Vs. 19 en 20.)

In dit achttal verzen vinden wij voorgesteld de voordeelen van de onderwijzingen der Wijsheid.

Beschouwen wij nu een voor een.

Allereerst wordt ons gesproken over de verhouding tot het Woord. De waarheid kan men niet ongestraft verachten. De waarheid oordeelt ons, indien wij haar verwerpen. "Gij hebt, die u aanklaagt, Mozes, op wien gij gehoopt hebt," sprak eenmaal de Heer Jezus tot hen, die Hm verwierpen, van Wien Mozes had gesproken.

Die aan het Woord de plaats geeft, welke het toekomt, en er zich door laat beoordeelen en veroordeelen, zal de vergelding wegdragen.

De wijze onderwijst. Hij is zelf ter schole gegaan bij de Bron der Wijsheid. Wij zijn verbonden met Christus, de opperste Wijsheid. Wie uit Hem gedronken heeft, wordt tot een kanaal van zegen, tot een fontein gesteld. Door Zijn onderwijzingen kan Hij anderen levenswater toereiken. En zoo zullen ze dan, nl. als ze k drinken, van de strikken des doods afwijken.

De zoon der Wijsheid vindt gunst in de oogen van God en van de menschen. (Zie Spr. 3 : 3 en 4.) Zelfs de wereld erkent en waardeert goed verstand. De trouweloozen vinden in hun wegen de bittere vrucht van eigen handelingen, zelfs waar zij het beoogde doel weten te bereiken. Een algemeen beginsel van buitengewone belangrijkheid.

Bij deze gedachte sluit het zestiende vers zich aan. De kloekzinnige is iemand, die nadenkt, en die ook weet, zich verstandig te gedragen. De zot, de onwetende, een, die de kennis veracht, is zich z weinig bewust, in welken toestand hij is, dat hij niet vreest, zijn dwaasheden ten toon te spreiden. 't Is merkwaardig, dat de waarheid van dit woord zoo vaak wordt gezien in geestelijk opzicht, nl. bij een zoogenaamde kennis, die in den grond eigenlijk niets anders is dan halsstarrige onkunde.

Het zeventiende vers spreekt van een goddeloozen bode. Laat ons opmerken, dat de goddeloosheid in de Spreuken altijd het karakter draagt van den mensch in het vleesch, die buiten God zijn weg gaat. Zoo'n bode te gebruiken, is zijn eigen ondergang verhaasten. Geheel anders is het met den trouwen gezant. Een gezant is iemand, die met vredesvoorstellen wordt uitgezonden. Indien hij zich trouw van zijn taak kwijt, dan brengt hij aan degenen, die zijn opdracht aanvaarden, geestelijken zegen. Herinneren we ons, dat de Spreuken niet zijn, gelijk men wel eens beweerd heeft, de wijsheid der volkeren, maar wel de Goddelijke wijsheid, toegepast eenerzijds op de gewoonste omstandigheden des levens, anderzijds den mensch opvoerend tot de meest verheven gedachten, veelal van geestelijken aard.

We hebben nu gezien, wat de voordeelen zijn van de onderwijzingen der Wijsheid. Het achttiende vers leert ons, wat de vrucht is van de verwerping dier onderwijzingen. Armoede, als een teeken van het misnoegen Gods met schande gepaard, zal van die verwerping het gevolg zijn. Wie daarentegen op de tucht achtgeeft, zelf een zoon der Wijsheid zijnde, zal er eer door inoogsten. Deze laatste uitdrukking hebben we in haar algemeenen zin te nemen, gelijk in Rom. 2 : 10: "Heerlijkheid en eer en vrede voor een iegelijk, die het goede werkt."

Het negentiende vers staat tegenover hetgeen we in het twaalfde hebben gevonden. Wat is een vervuld verlangen heerlijk! Maar bedenken we daarbij wel, dat het vooral een vreugde is, op te merken bij de vervulling der begeerte, dat men in den weg des Heeren was. Die weg is nooit die der zotten; want zij vreezen God niet; zij wenden zich af van het kwade; zij haten de gedachte, met God te doen te hebben.

Al wat we in het voorgaande hebben gevonden, wordt nu in vers 20 samengevat door de opmerking over den omgang en de verbintenis met anderen. Het is voor een zoon der Wijsheid van zoo groot gewicht, te weten met wie hij omgang heeft; met de wijzen of met de zotten. Het gezelschap der wijzen brengt wijsheid aan. Kwade omgang evenwel bederft goede zeden. Niet alleen, dat het een onmogelijkheid is, wijsheid te verkrijgen door den omgang met den zot, maar die omgang werkt het kwade. Bovendien komt de wijze in gezelschap der zotten in een zeer moeilijke positie. Immers, hij heeft niet het vertrouwen der wijzen, en evenmin wordt hij vertrouwd door de dwazen, die hem toch niet geheel tot de hunnen rekenen.