Ons werk voor den Heer.

 

Wat hangt het er veel van af, hoe wij ons werk verrichten! Hoe kan het werk, ook in den dienst des Heeren, geschieden met trage hand en slappe knie, zoodat het meer is een "er zich van afmaken," dan een erin bezig zijn met gewilligheid en getrouwheid! Neen, dan is het hart er niet bij.

Paulus echter deed zijn arbeid met "hart en ziel." De zonde baarde hem leed, tegenstand wakkerde hem aan tot strijd. Het heil der gemeente gaf hem zorg, overwinning van het Evangelie vreugde! Hij bad, alsof zijn arbeid van geen beteekenis was, en hij arbeidde, als moest daarvan alleen de vrucht komen.

Hij werkte z, dat hij van den ernst van zijn arbeid doordrongen bleek, en hij streed z, dat de strijd al zijn biddende aandacht en al zijn geestelijke waakzaamheid had. Voor het groote had hij oog, maar ook voor het kleine. En hij, wien de nood van alle gemeenten op het hart woog, leefde mee met de maagkwaal van Timothes! Hij, die zijn brief schreef over de rechtvaardiging des geloofs, schreef aan Filmon ten gunste van Onsimus, diens weggeloopen slaaf! Hoe vaak offerde hij zijn nachtrust op voor zijn werk voor den Heer!

Ook heeft het God behaagd, tot prijs Zijner genade, die een Paulus riep, hem niet alleen tot een wonderlijk werk te roepen, maar op zijn arbeid ook een wonderlijken zegen te schenken! En is het mnigmaal een ander die zaait en een ander die oogst, Paulus heeft zlf op zijn werk rijke vrucht mogen aanschouwen.

Voorzeker, wat hij zag, was slechts een enkele schove van het zaad des Evangelies, door hem met volle handen over den akker der wereld gestrooid! De eene eeuw voor, de andere na, zag een nieuwen oogst opkomen van het zaad van het Goddelijk Woord, door hem gezaaid.

Maar dze vrucht mocht Paulus toch nog aanschouwen, dat duizenden in Christus geloofden ter zaligheid, en bloeiende gemeenten ontstonden, te midden van de bolwerken van Satan en de goddeloosheden van het Heidendom, tot een teeken van de almacht van Gods genade. Daar werd een macht der liefde openbaar, in barmhartigheid jegens de ellendigen, in vergevensgezindheid jegens de vijanden, in opheffing van hen, die in vernedering waren, welke tot bevestiging strekte van het geloof, dat dit uit God was en Christus heerlijk maakte.

De tempels der afgoden begonnen te wankelen, de nacht van het Heidendom scheen zijn einde te naderen. Toen Paulus stierf, lichtte Christus reeds over hen, die in schaduw des doods waren gezeten, en hij aanschouwde het gloren van dien dag der genade, die nu ten avond schijnt te spoeden.

Is het niet een wonderlijk werk, dat werk van Paulus; van dien eenen man, in wien Gods genade heerlijk was; van een man, die vol was van Christus en van Zijn Geest?

Neen, valsche lijdelijkheid kweekt Gods genade nimmer. En Paulus staat daar als een krachtig getuige dezer waarheid! Gods genade doet werken het werk des Heeren met alle macht. Zij werpt zich op alle raderen der ziel en zet alle vermogens in werking. Zij dwingt niet tot het besteden der gaven, maar maakt een gewillig volk, dat de voeten geschoeid heeft met de toebereiding van het Evangelie des vredes en dat jaagt naar het wit, naar den prijs der hemelsche roeping Gods!

Z toont Paulus het in eigen voorbeeld en z leert 's Heeren Woord het overal.

Maar gedaan hebbende alles wat hun bevolen is te doen, staan zij zich nog op niets voor. Of wat zijn ze nog anders, dan onnutte dienstknechten! Neen, Paulus schrijft aan eigen kracht zijn werk niet toe, zelfs niet voor een deel; ook eischt hij voor zichzelf geen roem op. Dan kent ge hem nog niet, zoo ge dat meent! O, hij is zoo kinderlijk blij, dat hij iets, dat hij veel voor zijn Heer heeft mogen doen! En aan het einde van zijn loopbaan gekomen, ware het hem ondraaglijk geweest, terug te zien op een leven, niet met volle kracht in 's Heeren dienst besteed.

Voor zijn Heer en Heiland geleefd te hebben, is zijn blijdschap en zijn roem.

En hij is er den Heer dankbaar voor, z gearbeid te hebben.

Dankbaar! Want in Paulus is geen snaar gestemd op den toon van eigen waardigheid of roem.

Wat heeft hij, hetwelk hem niet gegeven werd? Wat werkte hij, hetwelk God niet door hem wrocht? Al wat hij gearbeid had, had hij gearbeid door de kracht van Gods genade. En roemt hij, het is geen wierook, dien hij voor zichzelf ontsteekt, maar ter eere Gods. Roemen doet hij in den Heer. Hij weet, dat Gods kracht in zwakheid wordt volbracht, en daarom, ofschoon met kracht opkomend voor de belangen des Heeren, oordeelt hij in liefde en met voorzichtigheid, en is hij nimmer eenzijdig.

Onderscheiden zijn de gaven, die de God aller genade uitdeelt; is de taak, waartoe Hij roept. Welke gave wij ook ontvangen hebben, de zaak waar het op aankomt is, dat wij haar goed besteden. Tot welke taak wij ook geroepen zijn, we hebben slechts toe te zien, dat we daarin gewillig en getrouw werkzaam zijn.

Trachten we niet naar hooge dingen, naar een grootere levenstaak, maar spannen we ons in, onze levenstaak te vervullen, werkende, zoolang het dag is, want daarvoor hebben we zker genoegzame gave en kracht. Zoo zullen we een welgevallen trekken van den Heer, en zal Zijn genade, aan ons verheerlijkt, ook in ons leven, niet ijdel worden bevonden.