Het Boek der Spreuken.

 

TWEEDE GEDEELTE.

Hoofdstukken 10-24.

 

Ware armen en ware rijken. – Vier zedelijke grondbeginselen.

Spreuken 13 : 7-12.

 

"Daar is een, die zichzelven rijk maakt, en nietmetal heeft; en een, die zichzelven arm maakt, en heeft veel goed." (Vers 7.)
"Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet." (Vers 8.)

"Zichzelf rijk maken" is zich beroemen in den schijn van rijkdom en met dien schijn zich vergenoegen. Zoo iets komt voor in betrekking tot aardsche goederen, en hoe dwaas is het dan! Maar hoevéél dwazer is het nog ten aanzien van geestelijke dingen. Laodicéa zegt: "ik ben rijk en verrijkt, en heb aan geen ding gebrek." (Openb. 3 : 17.) Maar de Heer zegt: "Gij weet niet, dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt."

"Zichzelf arm maken" is de wonderbare tegenstelling. Het wil zeggen: zich ontdoen van zijn rijkdommen. Volmaakt aanschouwen we dit in Hem, die rijk was, en arm werd. Zoo, als Jezus het deed, kon ook Hij het maar alléén! Hij werd arm, opdat wij door Zijn armoede zouden rijk worden. En nu deelt Hij aan de Zijnen uit Zijn volheid mede al wat Hij heeft. Denken wij maar eens aan Zijn woord tot Zijn discipelen bij het afscheid: "Mijnen vrede geef Ik u!" "Niet gelijk de wereld geeft, geef Ik u."

Het achtste vers zal ons duidelijk worden, als we het in verbinding met het zevende vers beschouwen. Alleen moeten we dan bedenken, dat het woord ziel de beteekenis heeft van leven. Er is dus sprake van een rantsoen voor het leven, en dat rantsoen is de wàre rijkdom. Het rantsoen is betaald door een ander. Hoe treffend hebben we dat in het kruis vóór ons! Daar betaalde Christus het rantsoen voor het leven der Zijnen. Wat Hij dáár voor hen deed, is hun rijkdom. Wie dat kruis en het werk des kruises verwerpt, is waarlijk arm en blijft arm. De mensch, arm in zichzelf, luistert niet gaarne naar God. Wel wordt hem geboodschapt, wat God voor hem deed, en hoe Christus Zichzelf geven wilde in den dood, wel wordt hij vermaand, zich als een arme tot God te wenden, en in Zijn Zoon te gelooven, maar bij hoort niet naar dat vermaan. Wij hebben in onze vertaling: "hij hoort het schelden niet." In de nieuwe vertaling vinden we echter: "hij hoort de bestraffing, de vermaning, niet."

Zoo zijn er dus "ware" armen, en zij worden rijk. En er zijn "ware" rijken, en zij deelen hun rijkdommen mede en maken anderen gaarne rijk. Maar er zijn ook rijken, die rijk schijnen, doch zij zijn arm. Zulk een armoede is vreeselijk! Ware rijkdommen vinden we alleen in God en in Christus; zij zijn blijvend en eeuwig!

"Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden, maar de lamp der goddeloozen zal uitgebluscht worden." (Vers 9.)
"Door hoovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid." (Vers 10.)
"Goed van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen." (Vers 11.)
"De uitgestelde hoop krenkt het hart; maar de begeerte, die komt, is een boom des levens." (Vers 12.)

 

Deze vier verzen geven ons in verband met elkaar vier zedelijke grondbeginselen ter beoordeeling.

Wat vers 9 aangaat: er is slechts vreugde voor degenen, die in de tegenwoordigheid zich bevinden van Hem, die Licht is. Het licht, dat hen bestraalt, brengt noch verwarring, noch vrees. Wij, die den Heer Jezus toebehooren, zijn "zonen des lichts en zonen des daags," en onze wandel moet vruchten te aanschouwen geven in alle goedheid, rechtvaardigheid en waarheid. Een geloovige, die praktisch in het licht wandelt, d.i. een rechtvaardige, zal zich niet te oordeelen hebben; de zoodanige kan zich verblijden, omdat hij zich in het Goddelijk licht bevindt.

De goddelooze bezit een lamp - het Woord Gods is die lamp! -maar hij let er niet op. Eens zal hem die lamp worden ontnomen, en in duisternis zal hij dan zijn gedompeld. Ook kan de lamp zijn levenslicht voorstellen, dat onverwacht zal worden uitgebluscht.

Het tiende vers spreekt van gekijf. Vanwaar, vraagt Jakobus, komen de oorlogen en vechterijen onder u? (Hfdst. 4 : 1.) Komen ze niet voort uit de begeerlijkheden? Ons vers wijst de hoovaardigheid als wortel aan. De natuurlijke mensch wil geen ongelijk hebben; nog minder is hij geneigd, zich te verootmoedigen.

De zonen der wijsheid zoeken - behooren althans te zoeken - raad en voorlichting bij anderen, die zij hooger achten dan zichzelf. Zij bewaren een plaats van afhankelijkheid, die in overeenstemming is met de ware nederigheid. Letterlijk staat er: "Maar de wijsheid is bij of met degenen, die zich laten raden."

Als de ijdelheid ons goederen doet verwerven, kunnen deze niet gezegend zijn. Zulke goederen verminderen. Maar die met de hand vergadert, zooals de arenlezer, en voor wien niets te klein of te onbeteekend is, en die zich op niets laat voorstaan, die zal de goederen bijeenbrengen.

Evenals bij de vorige woorden zullen we vooral bij dit elfde vers gevoelen, dat het om een beginsel gaat, en dat de zedelijke strekking ervan moet worden in het oog gehouden.

Ten slotte gaat het in het twaalfde vers om een wettig, een geoorloofd verlangen. Soms moeten we lang wachten, voordat het wordt vervuld. Hanna, de moeder van Samuël, is een treffend voorbeeld. (1 Sam. 1.) Een ander voorbeeld, maar van toorn, omdat een onwettig verlangen niet werd bevredigd door een godvruchtig man als Naboth, is de goddelooze koning Achab. (1 Kon. 21 : 4.) Wachten kan een oorzaak van lijden zijn, een krankheid des harten voor wie zijn vreugde niet vinden kan in iets anders. Maar God weet Zijn tijd, het juiste oogenblik, en als het ons te lang duurt, als God schijnt "uit te stellen," is dat een aanleiding voor ons, onszelf te onderzoeken, of we wel onderworpen aan en eenswillend met God zijn. Als dan op Gods tijdstip de begeerte wordt verkregen, is ze als een boom des levens, waaraan men overvloedig vrucht vindt. De ziel wordt dan door Gods goedheid gevoed. Zij wordt gesterkt door Zijn wijsheid en door den overvloed Zijner genade, en we leeren God veel meer en veel beter kennen, als wanneer we onmiddellijk onze begeerten verkregen.