Het Boek der Spreuken.

 

TWEEDE GEDEELTE.

Hoofdstukken 10-24.

 

Een nieuw onderdeel

Spreuken 13 : 1-6.

 

De hoofdstukken 10, 11 en 12 van het Boek der Spreuken stellen ons den weg en het karakter der gerechtigheid voor. Het slotvers van het twaalfde hoofdstuk is een treffende samenvatting van den geheelen inhoud dier hoofdstukken: in het pad der gerechtigheid is het leven, en in den weg van haar voetpad is de dood niet.

Met hoofdstuk 13 begint weer een nieuw onderdeel, eveneens uit drie hoofdstukken bestaande, nl. 13, 14 en 15. En evenals in hoofdstuk 10 is ook hier het eerste vers de inleiding tot het geheel. Daar luidt het eerste vers: "Een wijze zoon verblijdt den vader, maar een zotte zoon is zijner moeder droefheid," en hier in hoofdstuk 13 is de inleiding: "Een wijze zoon hoort de tucht des vaders, maar een spotter hoort de bestraffing niet." Het verschil is opmerkelijk. In het vorige gedeelte gaat het om den zoon, om den wijzen of om den zotten zoon, maar in dit nieuwe onderdeel staat de zoon naast den niet-zoon, naast den spotter, die in geenerlei opzicht met den zoon, met de familie, in betrekking staat. De zoon der wijsheid luistert naar de tucht of onderwijzing des vaders.

De familie der zonen en die der spotters staan geheel op zichzelf. De weg der zonen is de tegenstelling van dien der goddeloozen. De onderwijzing is een voorrecht voor den zoon, de spotter evenwel heeft er geen deel aan; hij verwerpt de vermaning en wandelt naar eigen lust en begeerte. Hij lacht om de beloften Gods, en veracht de oordeelen Gods, spottend uitroepende, dat alle dingen blijven, zooals ze geweest zijn. (2 Petr. 3 : 3 en 4.) Er is niets, dat van God is, in hun harten.

De sleutel van het geheele Boek der Spreuken is de betrekking van den zoon tot de Wijsheid, en wie dit uit het oog verliest, dien ontgaat het eigenlijke doel van dit deel der Waarheid Gods.

 

"Een wijze zoon hoort de tucht des vaders, maar een spotter hoort de bestraffing niet." (Vs. l.)
"Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten, maar de ziel der trouweloozen het geweld." (Vs. 2.)
"Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet." (Vs. 3.)
"De ziel des luiaards is begeerig, doch daar is niet, maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden." (Vs. 4.)
"De, rechtvaardige haat leugentaal, maar de goddelooze maakt zich stinkende en doet zich schaamte aan." (Vs. 5.)
"De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg, maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeeren." (Vs. 6.)

 

Het eerste vers - we merkten het hierboven reeds op stelt dus de tegenstelling vast tusschen twee klassen van menschen: de kinderen der Wijsheid, de zonen; en de spotters. De eersten nemen aan, de anderen verwerpen wat van God komt.

In het tweede vers, dat aan hoofdstuk 12 : 14 herinnert, wordt ons voorgesteld, hoe iemand gevoed kan worden door de woorden, die hij voor anderen uitspreekt, nl. indien hij van Gods wege diens woorden aan anderen brengt. Herinneren we ons slechts Deut. 6 : 6-8, waar we lezen: "Deze woorden, die Ik u heden gebied, zullen in uw hart zijn, en gij zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als gij in uw huis zit en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt en als gij opstaat. Ook zult gij ze tot een teeken binden op uw hand, en zij zullen u tot voorhoofdspanselen zijn tusschen uw oogen, en gij zult ze op de posten van uw huis en aan uw poorten schrijven." De woorden Gods zijn een spijze voor de eigen ziel, terwijl men ze anderen inscherpt.

De trouweloozen daarentegen voeden zich met het geweld, hetgeen bewezen wordt door hun eigen redenen. Trouweloosheid en geweld gaan hand aan hand; beide zijn karaktertrekken van Satan.

Het derde vers sluit zich nauw aan het vorige aan.

Wie zichzelf en anderen met woorden zal voeden, behoort over zichzelf te waken en heerschappij te oefenen over zijn tong. Als ik acht geef op de deur van mijn huis, dan waak ik over mijn geheele huis. Omdat de zonde in ons is, kán ik iets noodlottigs voortbrengen, iets, dat tot verderf van mijzelf en van anderen wezen kan. "De lippen wijd opendoen," zooals ons vers zegt, is opening geven aan wat anderen ten verderve voert, en tegelijkertijd is het ingang verschaffen aan die dingen, die voor mijzelf tot schade zijn.

Luiaards begeeren wel te verkrijgen, wat hen dienen kan en kan doen opwassen, maar zij willen zich niet de minste moeite geven, om dit resultaat te bereiken. En wat is nu daarvan het gevolg? Het vierde vers zegt het zoo duidelijk: "Doch daar is niet"! Vreeselijk woord voor hen, die "altijd leeren en nimmer tot de kennis der waarheid komen." Om met de gedachten Gods te worden verrijkt, om op te wassen in de kennis der waarheid, daartoe is het noodzakelijk, dat men zich inspant, maar geestelijk inspant, want deze inspanning heeft niets te maken met die van het vleesch. De ziel der vlijtigen, d.z. zij, die vlijtig Gods gemeenschap zoeken, die zal worden vetgemaakt, d.i. rijkelijk worden gevoed.

Ook uit het vijfde vers blijkt, dat we ons hier bevinden op het terrein van het woord. De rechtvaardige haat leugentaal. De booze kenmerkt zich niet alleen door het geweld, maar hij heeft ook omgang met de leugen. De rechtvaardige haat, ook in het woord alleen, de leugen. Hij hoort haar niet aan, noch veel minder wil hij ze uitspreken. De zoon, het kind der wijsheid, is dan ook "door het woord der waarheid gebaard." (Zie Jak. 1 : 18.) Het karakter van den booze, die "een leugenaar van den beginne" is, is den rechtvaardige een afschuw; vooral dan, wanneer het gaat om de dingen Gods en deze vervalscht worden door leugen. De waarheid evenwel zal altijd triomfeeren, en zal den leugenaar met schande bedekken.

De oprechte bevindt zich onder de bescherming van de gerechtigheid; zij waakt over hem. (Vers 6.) In zijn wegen beantwoordt hij aan het karakter van God, gelijk God Zelf het hem heeft geopenbaard. Daarom ook zal God hem bewaren van het kwaad, waarvan ook de zoon der wijsheid een prooi worden kan. De goddeloosheid daarentegen, welke het karakter der wereld is, het karakter van hem, die verwijderd leeft van God, is totaal machteloos om iets voor den zondaar, haar slaaf, ten goede te doen. Zij keert hem om, d.i. zij voert hem ten verderve.