Enkele opmerkingen over EzechiŽl 47.

 

De wateren, die uit het Huis des Heeren vlieten, stellen de levendmakende kracht voor, die van den troon Gods uitgaat. Ze beginnen te stroomen van onder den dorpel van het Huis, en dalen af, met kracht voortspringende, totdat ze in de Doode Zee terechtkomen, en de wateren van dit gedenkteeken van het oordeel Gods weer gezond maken.

In Ezech. 47 : 8 vindt men in onze Statenvertaling een moeilijkheid. Men krijgt er den indruk, of "deze wateren" in het begin van het vers dezelfde wateren zijn, als "de wateren," die aan 't eind van 't vers worden genoemd. Dit is echter niet de bedoeling. De laatste wateren zijn de wateren der zee. En de zee, waarover hier sprake is, is de Doode Zee. Letterlijk staat er in 't begin van vers 8: "Deze wateren vlieten uit naar de Oostelijke grens, en dalen af in de vlakte, daarna komen zij in de zee." Het gaat dus om de streek boven de Doode Zee en om de vlakte daaraan grenzend. Zoo stroomt het water in de zee en worden de wateren van die zee gezond. Ja - zegt vers 9 - het zal geschieden, dat die zee weer visch zal hebben, veel visch, zooals de Groote of Middellandsche zee. Ook zal er aan haar oevers weelderig geboomte groeien, dat rijke vrucht zal dragen. Alleen de moerassen blijven nog onder den vloek. Ze blijven "tot zout overgegeven," als een herinnering van het oordeel.

Dit alles geeft ons in een beeld de wederherstelling van IsraŽl te zien. De zegeningen stroomen uit Gods tegenwoordigheid, en de stad wordt genoemd: "De Heere is aldaar." In Psalm 65 lezen we: "God bezoekt het land, en hebbende het begeerig gemaakt, verrijkt Hij het grootelijks; de rivier Gods is vol water." 't Is een volheid van zegen, die veel gelijkt op dien van het Paradijs, waaraan Openb. 22 de beelden ontleent voor de beschrijving van de Gemeente in heerlijkheid. Daar is de Gemeente het kanaal van de zegeningen, uitgaande van den troon Gods en des Lams. Daar is Christus de boom des levens met zijn volheid van spijs. Alleen, hier in EzechiŽl vinden we de beperking, dat het kwaad niet gehťťl is weggedaan, zooals dit ook in de toekomende eeuw op aarde naar de profetie het geval zal wezen. Een rijke, steeds stroomende rivier van zegen zal dan geopend zijn en zich oneindig machtiger toonen dan het kwaad, ja, het bijna doen verdwijnen, maar dan toch niet gehťťl.

Van groote beteekenis zijn deze mededeelingen voor ons, Christenen, ook voor ons geestelijk leven. De wateren komen uit Gods Huis. Alle ware verkwikkingen, alle levendmakende krachten komen uit het Heiligdom. In Gods hart zijn de heilsgedachten. Uit Gods hart stroomen ze overvloedig, tot zegen voor velen.

De vruchtbaarheid dier wateren wordt dan ook overal waargenomen, waar doodheid en dorheid waren. Deze aarde is de plaats des gerichts. Eeuwen lang reeds. Maar waar die wateren stroomen, maken ze het doode gezond. De moerassen en poelen evenwel blijven ongezond.

De wateren stroomen naar het Oosten. In het Oosten was de ingang van het Heiligdom. Uit Gods tegenwoordigheid vliet de rivier naar den opgang, vanwaar het licht komt. De gedachte is uit God, maar ook de weg voert tot God.

De wateren spreken van een herstelling, die alleen geschieden kan op den grondslag van genade. Zoo zal het straks voor IsraŽl zijn: de nieuwe grondslag is genade. Zoo is het thans, in dezen tusschentijd.

Wat zijn de gedachten, waaraan de genade ten grondslag ligt, heerlijk!

De profeet begint met, door zijn leidsman ertoe gebracht, de wateren te doorwaden. Driemaal meet zijn geleider duizend ellen in het verder gaan. Eerst omspoelen de wateren zijn enkelen, dan raken ze tot aan zijn knieŽn, vervolgens tot aan zijn lendenen. Maar als er weer duizend ellen door hem gemeten zijn, kan de ziener er niet doorgaan; de wateren zijn te hoog; hij zou er in moeten zwemmen.

Waarop valt nu hier de aandacht? Niet op hetgeen de profeet doet, maar op de rivier. Het gaat in dit gedeelte niet om de verantwoordelijkheid. De geleider heeft het meetsnoer. En hij meet het water, dat een beeld is van Gods zegen. Ook gaat het hier niet om het doorwaden of zwemmen - we lezen niet, dat de ziener tot zwemmen komt - maar om den vollen stroom, die straks het doode water levend maakt. Allengs wordt de rivier dieper en breeder, en de ziener moet de gestadige toeneming vaststellen. Dan neemt zijn geleider hem terug naar den oever, om het gehťťl te overzien. En dan aanschouwt de ziener in het licht der zon den heerlijken stroom met de levende visschen, met het veelvuldig geboomte aan de oevers. En zoo ontvangt hij een diepen indruk van de grootheid der zegeningen Gods. Klein in den aanvang; maar wie zal er de lengte en breedte, de hoogte en diepte van peilen?

Dit geldt hier voor de toekomstige aarde. Tot viermaal meet de geleider; "viervoudig" staat altijd in verbinding met de aarde. En welk een zegen wordt er door waargenomen! Is het geen heerlijke schildering van de tegenwoordigheid des Heeren hier beneden in het vrederijk?

Doch oneindig heerlijker is nog de geestelijke beteekenis, die er ons door wordt voorgesteld: Gods rijke, souvereine genade in Christus, die wij in deze tegenwoordige bedeeling kunnen aanschouwen en genieten!

Nemen wij daartoe het eerste gedeelte van den brief aan de EfeziŽrs ter overdenking. Dadelijk wordt ons daar gewezen op Gods Huis, op God-Zelf. Uit Hem komt de stroom van heerlijke gedachten. Uit Hem ontspringt het heil. Maar in het begin is voor iemand, die dezen God heeft leeren kennen, de stroom nog smal. "En u toen gij dood waart." "Uit genade behouden." Wel een heerlijke verkwikking. Maar - nog slechts de aanvang. Want dan volgt de medededeeling van het met Christus gezet zijn in de hemelsche gewesten, van het met alle geloovigen uit alle volkeren samen opgebouwd worden tot ťťn woonstede Gods in den Geest, om te eindigen met het volle raadsbesluit Gods. En als Paulus daaraan komt, spreekt hij over het begrijpen van de breedte en lengte en diepte en hoogte der voornemens Gods in Christus; spreekt hij over de ondoorgrondelijke, alle kennis te boven gaande liefde van Christus; buigt hij in aanbidding zijn knieŽn voor zijn God en Vader, Wien de heerlijkheid zij in de Gemeente, in Christus Jezus, tot in alle geslachten, van alle eeuwigheid!

Neen, met het menschelijk verstand is het niet te omvatten, wat ons in Christus is geschonken. We beginnen met, als geredde zondaars, er even in te treden, maar langzamerhand leeren we beter kennen, en eindelijk vallen we in dankbare bewondering en aanbidding neder bij het overzien, in Gods licht, van al de zegeningen, die uit Gods hart ons toestroomen.

De Duitsche dichter zegt:

"Ich will, anstatt an mich zu denken,
Ins Meer der Liebe mich versenken."

ZŤlf vallen we geheel weg; en in de zee van Gods liefde laten we ons maar rondvoeren door Gods Geest. Of, om het beeld van EzechiŽl letterlijk te gebruiken: eerst komen we er met de voeten in, maar de wateren klimmen al hooger en hooger, hoe verder het meetsnoer wordt uitgelegd, en eindelijk staan we aan den oever te genieten en overzien in Gods licht het geheel van Gods gedachten, voornemens en besluiten, ja, we aanschouwen er ook de levenskracht van, de heerlijke uitwerking op datgene wat aan den dood onderworpen is en in den dood zich bevindt!

Mochten wij ons door den Heiligen Geest laten leiden aan de Godsrivier, opdat wij meer en meer ons verlustigen in de genade van onzen God, en in al de rijke zegeningen, die er de gevolgen van zijn!