IETS OVER HET GEBED.

 

Indien wij waarlijk geloovigen zijn, moeten wij ons er op toeleggen, tijd te vinden voor het gebed. Een Christen, die geen vasten tijd voor zijn gebed afzondert, zal spoedig in het geheel geen tijd er voor hebben. In den Bijbel lezen we, dat Daniël op drie bepaalde tijden bad. En uit de geschiedenis van David kunnen we afleiden, dat hij gedurende een zekeren tijd in zijn leven dagelijks zeven geregelde gebedstijden had.

Den dag met God te beginnen, is wel het beste begin voor den dag. En het spreekt vanzelf, dat we den dag ook met God eindigen. En nuttig zou het zeker zijn, wanneer we ons op het midden van den dag eveneens een oogenblik afzonderden om met God te spreken. Maar niet alleen geregelde, ook buitengewone gebedstijden zijn noodig. Zoo deed de Heer Jezus. We lezen van Hem, dat Hij tot God bad, alvorens de twaalven te kiezen, toen Hij op den berg der verheerlijking ging; dat Hij in tijden van groote verzoeking naar de stilte ging om Zich af te zonderen; dat Hij Zich in bijzondere mate in het gebed sterkte in den hof van Gethsémané.

Den tijd, dien wij aan bijzonder gebed besteden, zal zich richten naar de verschillende omstandigheden en moeilijkheden, die wij ontmoeten in ons dagelijksch leven.

Maar behalve bepaalde tijden, die we geregeld dagelijks voor ons gebed afzonderen of bij buitengewone gebeurtenissen aan het gebed wijden, - als 't kan, doen we dit in de eenzaamheid, - kunnen we ons dagelijksch werk biddend verrichten, en overal tot God opzien, wáár we ook zijn, ook als we ons onder menschen bevinden. Hierop wordt gedoeld in het woord: "Bidt onder ophouden!"

Welk een macht is toch het gebed!"

Koningin Mary van Schotland zeide eens, dat zij de gebeden van John Knox méér vreesde dan al de legers van Europa.

In de Schotsche opwekking van 't jaar 1630 werden onder één prediking van John Livingstone 500 menschen bekeerd. En waardoor? Den geheelen vorigen nacht had een groote menigte doorgebracht in vurig smeekgebed.