Het Boek der Spreuken.

 

TWEEDE GEDEELTE.

Hoofdstukken 10-24.

 

Wat zijn wij voor de samenleving.

Spreuken 11 : 10-16.

 

"Een stad springt op van vreugde over het welvaren der rechtvaardigen, en als de goddeloozen vergaan is er gejuich." (Vs. 10.)
"Door den zegen der oprechten wordt een stad verheven, maar door den mond der goddeloozen wordt zij verbroken." (Vs. 11.)
"Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil." (Vs. 12.)
"Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; maar die getrouw is van geest, bedekt de zaak." (Vs. 13.)
"Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden." (Vs. 14.)
"Als iemand voor een vreemde borg geworden is, hij zal zekerlijk verbroken worden; maar wie degenen haat, die in de hand klappen, is zeker." (Vs. 15.)
"Een aangename huisvrouw houdt de eer vast, gelijk de geweldigen den rijkdom vasthouden." (Vs. 16.)

In dit zevental verzen worden we gewezen op den invloed, dien de zegeningen, welke aan de rechtvaardigen geschonken worden, voor de samenleving hebben.

De rechtvaardigen uit het vorige gedeelte worden omringd door een georganiseerde maatschappij, die haar deel ontvangt van de gunsten, die God schenkt aan degenen, die Hem vreezen. Er is sprake van de stad, van den naaste, van het volk,van den vreemde.

Ten dage van Mordechai deelde de stad Susan in de algemeene blijdschap, die met Mordechais verhooging verbonden was. (Esther 8 : 15-17.) Een tijdperk van rust brak aan, en de bewoners der honderd-en-twintig landschappen, het geheele volk dus, hoewel geen deel hebbende aan het geloof van den nieuwen, Joodschen gunsteling van Ahasveros, deelde in den zegen.

Als de goddeloozen vergaan is er verademing, omdat het volk gevoelt, dat een noodlottig juk hen van de schouders wordt genomen, of dat zij worden bevrijd van een dreigend lot in de toekomst. Zooals Salomo het later zegt: "Als de rechtvaardigen groot worden verblijdt zich het volk; maar als de goddelooze heerscht, zucht het volk." (Spr. 29 : 2.)

Door de tegenwoordigheid der rechtvaardigen, die in Gods gunst deelen, wordt de stad verheven. Jeruzalem kan als voorbeeld dienen. Vanwaar nu haar verwoesting? Is het niet tengevolge van de boosheid der goddeloozen? Wat voor een enkel persoon waar is, en in vers 9 opgemerkt wordt, geldt in vers 11 de velen, die in een stad samenwonen.

Dan wordt over den naaste gesproken. Iemand, die in Gods hand een middel is, om een heele stad blijdschap te verschaffen en haar te verheffen, zal zijn naaste niet verachten. Integendeel, hij gevoelt genegenheid voor zijn naaste en acht hem. En wanneer er van den naaste geen goeds te vermelden is, dan zal hij tenminste zwijgen over hem. Wie zijn naaste wil eeren, moet het geheim kunnen bewaren. De babbelaar vertelt alles overal rond, maar de getrouwe weet te bedekken.

Zal er onder een volk welvaren zijn, dan moet het ook worden bestuurd. Als er geen regeering, geen leiding is, dan treedt verval in. Gelukkig het volk, dat vle wijze raadslieden in de regeering heeft.

Het is onvoorzichtig borg te worden, inzonderheid voor den vreemde. Wie veilig wezen wil, moet zich onthouden van het in de hand klappen, een handeling, die het zich borg stellen eertijds vergezelde.

Behalve dit, is het van zooveel belang op te merken, wat de karaktertrekken zijn, die welvaart verschaffen in de maatschappij. De Spreukendichter noemt er twee op: Aangenaamheid of bevalligheid in het optreden, en kracht of energie. Het eerste wordt hier aan de vrouw toegeschreven, het tweede bij den man genoemd. Want de uitdrukking: "de geweldigen" leze men als: "de sterke (geestkrachtige, energieke) lieden."

Het aangename in de verschijning der vrouw, - en dan niet slechts beperkt tot het uiterlijke, maar in geheel de openbaring, - doet haar eer inoogsten. Z genomen, heeft deze bevalligheid dus reeds waarde. Toch kan ze teleurstellen. Dat zegt het laatste hoofdstuk zoo duidelijk: "Bevalligheid is bedrog en de schoonheid ijdelheid." Maar waar ze geen schijn is, doch samenhangt met de ware vreeze Gods, daar is ze van beteekenis. "De vrouw, die den Heer vreest, zal geprezen worden."

Bij den man zoekt men kracht, energie. De maatschappij heeft geen menschen noodig, die in vadsigheid alleen aan vermaak en ontspanning denken, want deze brengen haar niet vooruit. Wat ze behoeft, is een geest, die weet van iets te ondernemen, dus een zekere energie, het tegenovergestelde derhalve van gemakzucht.

Een zekere aangenaamheid in het optreden der vrouw, maakt, dat men haar hoogacht: zij houdt de eer vast. Bij den man wordt welvaart en invloed hem verzekerd door inspanning van de hem verleende krachten, geestelijk of lichamelijk, of misschien nog wel beide.