VOORGANGERS.

 

Leidsman en Herder is Jezus alleen,
Want zulk een Voorganger is er niet n.
Hij zoekt 't verloorne, totdat Hij het vindt,
Niemand als Hij, die z teeder bemint.
Toch wil Hij gaarne, dat menschen zich wijden
Willig tot dienst van hun Herder en Heer,
Dat ze aan Zijn hand andren voorgaan en leiden,
Zielen tot zegen door voorbeeld en leer.

De Heer Jezus is de groote Voorganger. Hij wordt in de Schrift genoemd de Overste Leidsman. Hij is dit in betrekking tot onze behoudenis, maar ook wat onzen wandel aangaat. Het betaamde Hem, om wien alle dingen zijn en door wien alle dingen zijn, dat Hij, vele zonen tot heerlijkheid leidende, den Oversten Leidsman hunner behoudenis door lijden zou volmaken. (Hebr. 2 : 10.) In Zichzelf volmaakt, moest alles met Hem geschieden, wat noodig was, om Zijn dienstwerk te vervullen. Hij is onze Redder, onze Behouder, maar Hij is ook onze Leidsman, onze Voorganger in de loopbaan. Hij is de groote Aanvoerder, die den loop is begonnen en heeft voortgezet, en Die nu ook ons opwekt, met volharding den wedloop te loopen, die vr ons ligt. Wij mogen daarbij van alle andere dingen afzien en ons oog richten op Hem, den Voleinder des geloofs, het Voorwerp van ons geloof, die, om de vreugde, welke vr Hem lag, het kruis heeft verdragen en de schande veracht. Welk een volmaakten Voorganger hebben wij in onzen Jezus! En, die alles deed tot onze behoudenis; n, die alles doet, om ons in te leiden in Zijn heerlijkheid.

Ook als Voorganger is de Heer Jezus een voorbeeld voor hen, die Hij in Zijn dienst gebruiken wil. Dezulken moeten van Hem leeren, zichzelf te vergeten en voor anderen te leven; moeten als Hij door veel lijden en miskenning heengaan. En het is van zooveel gewicht, dat allen, die zich hun Herder en Heer ten dienste stellen, daarmede rekening houden. "Een slaaf is niet meerder dan zijn heer; indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren." (Joh. 15 : 20.) Wat de menschen den Heer naar het lichaam aandeden, was niet het zwaarste lijden voor Hem. Veel meer was dit de tegenspraak der zondaars, de verachting, haat en nijd.

leder voorganger nu moet er aan denken, dat hij dezelfde dingen te verwachten heeft.

J o z e f   was door God geroepen als behouder en leidsman. Daarom waren de aartsvaders nijdig op hem en verkochten hem naar Egypte. Maar God heeft hem door verdrukking tot heerlijkheid geleid en hem gesteld tot overste over Egypte en geheel zijn huis.

M o z e s   werd door God geroepen als een overste over Isral. Maar het volk heeft hem miskend, gehaat en het leven bemoeilijkt. God had hem echter als leidsman opgevoed en hem vooral de veertig jaren van afzondering in de woestijn, bij de schapen, geduld en zachtmoedigheid geleerd, zoodat hij onnoemelijk veel heeft kunnen verdragen van de hardnekkigen, die hij dagelijks had te leiden.

G i d e o n   is door God geroepen als een voorganger. Maar toen hij als zoodanig in getrouwheid optrad, eischten de inwoners van zijn stad, dat zijn vader hem zou uitbrengen, opdat zij hem den dood zouden doen sterven. Maar God was met hem. En bekwaamde hem als een wijs, trouw en afhankelijk leidsman, zoodat hij met slechts driehonderd mannen een schitterende overwinning behaalde. Niettegenstaande dat, begonnen dadelijk na de overwinning de mannen van Efram uit jaloerschheid met hem te twisten.

En zoo was het ook met   D a v i d.   Door God geroepen als herder voor het volk en getrouw in deze roeping, werd hij nochtans gehaat en ten doode vervolgd door zijn eigen volk. En zelfs later, toen hij, als gekroonde koning, de algemeen erkende leidsman was, had hij voortdurend wederpartijders, had hij steeds te kampen met naijver en tegenstand uit het midden van zijn eigen volk.

Te allen tijde heeft de Heer in Zijn dienst mede-arbeiders gehad; mannen, die in zelfverloochenende en zelfopofferende liefde als helden voor hun grooten Leidsman in de bres wilden springen. En te allen tijde hebben deze door God geroepen voorgangers miskenning en verachting ondervonden, en wel juist het meest van hen, van wie men verwachten moest, dat zij hun arbeid op prijs zouden stellen; dat zij met hen zouden mede-arbeiden; dat zij met hen schouder aan schouder zouden staan in den moeilijken strijd.

Ook in de nieuwe bedeeling is hetzelfde gevonden en ervaren.  P a u l u s   was een door God geroepen arbeider. Hij was een der grootste en meest gezegende voorgangers, die er ooit geweest zijn. Maar heeft wel iemand meer dan hij den haat en de jaloerschheid ondervonden, niet alleen van de wereld, maar ook van de zijde van zijn eigen volk en later van zijn eigen broeders? Wat heeft hij veel moeten dulden en verdragen! Hoe heeft hij het moeten uitroepen: "Zij hebben mij allen verlaten;" "allen zoeken het hunne, niet hetgeen van Christus Jezus is." Nochtans heeft hij tot het einde toe volhard, en zijn God is met hem geweest en met hem gebleven.

Laat ons nu echter niet denken, dat de groote Meester in Zijn dienst alleen Paulus en de andere apostelen heeft willen gebruiken als voorgangers. In de brieven wordt ons gesproken over voorstanders, leiders, voorgangers. Deze zijn er geweest in het begin der Gemeente en deze zijn er nog. In den brief aan de Efezirs worden voor alle tijden, voor het werk der bediening, evangelisten, herders en leeraars beloofd. En op meer dan n plaats worden de geloovigen vermaand, den voorgangers onderdanig te zijn en hen te achten. Maar ook zij hebben, evenals de voorgangers vroeger, er rekening mede te houden, dat hun weg een weg van lijden en miskenning is.

Het is een groote goedheid van onzen God, dat Hij ons voorgangers heeft willen geven en ze ons nog altijd schenkt. Voorgangers, niet in den zin zooals de Christenheid ze heeft gemaakt: zij, de geestelijken en de anderen de leeken; aangestelden door menschen. Maar, zooals de Schrift ze ons geeft: mannen, door God geroepen, gaven van Hem ontvangen hebbende, en erkend door de Gemeente als door God gezondenen.

 

Wat is het dan een groote verantwoordelijkheid, zulk een voorganger te zijn! Een allereerste vereischte daartoe is: door God geroepen te zijn en zich ook door God geroepen te weten. Niemand van de mannen, door ons genoemd, van Jozef tot Paulus, was te voren opgeleid tot de taak, waartoe God hem later riep. Niemand van hen heeft persoonlijk er iets voor gedaan om het te worden. Alleen Gods genade heeft ze er toe bestemd, toe geroepen, en er voor geschikt gemaakt. Bij allen was integendeel een gevoel van ongeschiktheid. Maar in aller hart was een groote liefde tot God en tot Zijn volk. En dit maakt ons tot de rechte voorgangers: het bewustzijn, door God geroepen te zijn; een gevoel van eigen onbekwaamheid; en liefde tot den Heer en Zijn werk. Wanneer deze dingen bij iemand gevonden worden, is hij het geschikte instrument in den dienst des Heeren. Dan zal hij ook geen eer van menschen verwachten; dan zal hij in het geloof zijn weg gaan, en de miskenning, die vaak zijn deel is, aannemen als een beproeving van God, een nuttig middel om hem op te voeden in den gezegenden dienst, zoodat hij zich niet spoedig geraakt of beleedigd gevoelt, maar in diepe afhankelijkheid en getrouwheid zijn nederig werk verricht. - Men vergete niet, dat de drie genoemde dingen nauw te zamen behooren. Koning Saul werd ook geroepen als een voorganger. Maar er was bij hem geen gevoel van afhankelijkheid, en daarom heeft God hem terzijde gesteld. God heeft tot hem doen zeggen: "Wederspannigheid is een zonde der tooverij en wederstreven is afgoderij en beeldendienst." (1 Sam. 15 : 23.) Omdat hij geen achtgaf op het woord des Heeren, werd hij als voorganger verworpen. Daarin ligt een ernstige leering en waarschuwing opgesloten. Voorgangers moeten in afhankelijkheid van God hun weg gaan; nauwkeurig achtgeven op het woord des Heeren. En niets toelaten, wat het vleesch of den mensch aangenaam is. Paulus schrijft aan Timothes: "Houd het voorbeeld der gezonde woorden!"

Het is echter niet alleen een groote verantwoordelijkheid, voorganger te zijn, maar ook een groote zegen. Daarom moeten wij bereid zijn, als God ons roept, met moed en vertrouwen te antwoorden: "Zie, hier ben ik, zend mij henen." (Jes. 6 : 8.) Als wij overtuigd zijn, dat God ons de roeping tot den een of anderen bijzonderen dienst in het hart heeft gelegd, moeten wij ons niet achter onze onbekwaamheid verschuilen; of ons onttrekken met het oog op de vele moeilijkheden, die ons wachten zullen, als wij aan die roeping gehoor geven; ook geen rekening houden met gemak of gemakzucht. Als slechts de liefde tot den Heer en Zijn dienst ons hart doorstroomt, en wij gewillig zijn, tot elken prijs den wil des Heeren te doen; als wij slechts lijden onder den algemeen treurigen toestand, waarin de Gemeente in onze dagen zich bevindt; en als wij een hart hebben vol liefde tot zondaren; dan zullen wij onze eigen-belangen ter zijde stellen en de roeping des Heeren bereidwillig beantwoorden. We zullen dan die nederige gezindheid hebben van een Gideon, maar toch tegelijkertijd ook beslist zijn evenals hij; om dan uit den mond des Heeren te vernemen: "De Heer is met u, gij strijdbare held! Ga heen in deze uwe kracht! Ik zal met u zijn!" Hebben wij eenmaal de overtuiging, dat God ons heeft geroepen, dan ligt onze kracht in onze zwakheid; dan weten wij ook, dat Gods genade, die genoeg is, met ons is; (2 Kor. 12 : 9, 10.) dan vragen wij gaarne aan anderen om raad en is het ons een behoefte, in gemeenschap met hen te handelen en te arbeiden; (Hand. 13 : 2, 3.) en dan kunnen wij ook alle wederwaardigheden, die ons deel zullen zijn, alle onverstand en wangunst, stil en gelukkig verdragen, en met vertrouwen op den Heer en Zijn rijke genade onzen dienst als voorganger verrichten, tot zegen der zielen.- Dat toch niet n voorganger zich op zijn voorgangerschap late voorstaan! Want dan is alle zegen weg! De Heer Jezus heeft gezegd: "En is uw Meester, de Christus; en gij allen zijt broeders." Meester beteekent hier Leidsman. Daarom voegt de Heer Jezus er aan toe: "Laat u ook niet meesters (leidslieden) noemen, want n is uw Meester, (Leidsman) de Christus." De bedoeling daarvan is niet, dat er geen leidslieden zijn, of dat ze niet zoo genoemd mogen worden, maar dat de leidslieden-zelf zich niet moeten laten voorstaan op de plaats, die zij door genade mogen innemen. De Heer Jezus heeft dadelijk na het aangehaalde de woorden gesproken: "De meeste van u, zal uw dienstknecht zijn. Wie zichzelven zal verhoogen, zal vernederd worden; wie zichzelven zal vernederen, zal verhoogd worden." (Matth. 23 : 8-12.) Er is dus sprake van "de meeste." Zooals de Heer Jezus later heeft gezegd: "De meeste onder u zij gelijk de minste, en de voorganger, als een, die dient. Want wie is meerder, die aanzit of die dient? Is het niet, die aanzit? Maar Ik ben in het midden van u, als een, die dient." (Luk. 22 : 25-27.) In de wereld is het zoo heel anders; daar wordt door de koningen over de onderdanen geheerscht; maar alzoo is het niet in den familiekring der broeders in Christus. Een voorganger moet zich als een broeder onder de broeders beschouwen, zich niet voorganger laten noemen, maar een nederige plaats innemen, opdat hij waarlijk dienen kan. Wanneer iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, zoo bedriegt hij zichzelf. Wij hebben niets, dat we niet ontvangen hebben. Toch mogen we ons weer bewust zijn van hetgeen we zijn, zooals Paulus zegt: "Door de genade Gods ben ik, wat ik ben." Maar wij leggen den nadruk op de genade Gods. En als geroepen voorgangers zullen wij er juist naar streven om niet alleen trouw in onzen dienst te zijn, maar ook in de genoemde dingen een lichtend voorbeeld te wezen. Daardoor zullen we ook voor onze medebroeders meer en meer openbaar worden als door God geroepen voorgangers; daardoor zal ook ons toenemen worden opgemerkt; daardoor zullen we het meest invloed en gezag uitoefenen. Paulus kon zeggen: "Weest gezamenlijk mijne navolgers, broeders, en ziet op hen, die aldus wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt." (Fil. 3 : 17.) En tot Timothes zegt hij: "Wees een voorbeeld der geloovigen, in woord, in wandel, in liefde, in geloof, in reinheid." (1 Tim. 4 : 2.) Voorganger zijn bestaat dus niet alleen in het goed en juist zeggen der dingen, maar in het beleven ervan. Het woord zelf drukt het reeds uit; het is een: voorgaan. Welk een heerlijke, gezegende roeping!

 

Deze belangrijke waarheid heeft echter ook een andere zijde. Hebben de voorgangers te bedenken, hoe groot hun verantwoordelijkheid is en welk een genade hun deelachtig werd, doordat God hen riep in Zijn dienst, - ook de Gemeente heeft in dit opzicht een verantwoordelijkheid en zegen, want zij heeft met dank te erkennen, wat God haar in de voorgangers geschonken heeft, schenkt en schenken wil; en zij heeft de roeping, de door God gegeven gaven te waardeeren.

In hetzelfde hoofdstuk van den brief aan de Hebren waar ons gesproken wordt over hetgeen blijft, en over Dengene, die blijft, ook wanneer mede-pelgrims van ons worden weggenomen, wordt drie malen achtereen over voorgangers gesproken, en er op gewezen, gelijk de apostel dit ook nog op andere plaatsen doet, dat wij ze om verschillende redenen hebben te beschouwen als een zegen op onzen weg door deze woestijn, en dat wij naar hen hebben te luisteren en hen hebben op prijs te stellen om huns woords en om huns werks wil.

Allereerst wijst de apostel er op, dat zij ons leeren, ons onderwijzen in de waarheid Gods, en dit hebben we zoo noodig. In de dagen der apostelen geschiedde het door hun woord, en door dat van alle voorgangers, die God riep, in het midden der geloovigen; ook door de Brieven, die zij schreven en die overal in de gemeentesamenkomsten werden voorgelezen. Thans geschiedt het door de leeraars en herders, die door God geroepen zijn, en die door hun woorden en geschriften de gedachten des Heeren uiteenzetten. Het geschiedt zeer zeker ook door de geloovigen onderling; immers wekt de apostel de Filippirs op, hun eigen behoudenis met vreezen en beven te werken, en spreekt hij over het stichten van den een door den ander en het vermanen van elkander. (Fil. 2 : 12; 1 Thess: 5 : 11.) Maar voornamelijk is het toch het werk van hen, die door God daartoe bijzondere gaven ontvingen. Zij spreken Gods Woord; zij volharden in het Woord en het gebed; zij bedienen het Woord. Zij beleven het ook in het geloof; en hun wandel is er mede in overeenstemming. Zij arbeiden aan de zielen, en zijn voorstanders in den Heer. Voorstanders wil zeggen: leiders; zij, die besturen; zij, die vooraanstaan. Zij doen dit werk niet al heerschende, alsof de geloovigen hun erfgoederen zouden zijn, maar als voorbeelden der kudde; de kudde met liefde weidende, er opzicht over houdende; en dit alles niet uit dwang, maar vrijwillig, niet om eenig voordeel, in welk opzicht ook, maar met bereidwilligheid. (1 Petr. 5 : 1-4.) Zij arbeiden met ijver, zij vermanen in liefde, zij waken over de zielen, voor welke zij eenmaal rekenschap moeten geven. In n woord: zij zijn de mannen, door God verwekt, tot opbouwing van het lichaam. - Welk een zegen, dat God voorgangers roept en bekwaam maakt!

In de tweede plaats wijst de apostel op de roeping van alle geloovigen, om dezen zegen Gods te waardeeren. Hij brengt de voorgangers in herinnering, die zijn heengegaan. Dezulken spreken nog nadat zij gestorven zijn. Hun woord en voorbeeld, hun geloof en de uitkomst van hun wandel, zijn voor ons een kostelijke bemoediging. - Dan spreekt hij over de voorgangers, die overal in hun midden arbeidden, en vermaant de geloovigen aan dezulken gehoorzaam te zijn, hun onderdanig te wezen, hen te erkennen, hen zeer hoog in liefde te achten, om huns werks wil, en hen in 't bijzonder van hem te groeten. En vooral wekt hij de geloovigen meermalen op, toch voor de voorgangers te bidden. Zij hebben het zoo noodig, bemoedigd en ondersteund te worden. Natuurlijk allereerst stoffelijk, omdat de Heer verordend heeft, dat die het Evangelie verkondigen, er ook van zullen leven. Immers is de arbeider zijn loon en zijn voedsel waardig. Hoe verblijd was niet de apostel, als men in dit opzicht aan hem dacht; niet om de gave, maar om de vrucht, die overvloedig was tot rekening van de geloovigen, die hem alzoo in liefde gedachten. Hoe ernstig klinkt zijn opmerking: "Eindelijk zijt gij weer opgewekt, om aan mij te gedenken;" "Geen gemeente heeft mij iets medegedeeld tot rekening van uitgave en ontvangst, dan gij alleen." En hoe vermaant hij de geloovigen, toch elkanders lasten te dragen, en voegt er bij: "Wie in het Woord onderwezen wordt, deele hem, die onderwijst, van lle goederen mede." Maar behalve deze stoffelijke hulp, hebben de voorgangers ook geestelijke ondersteuning noodig. Zij moeten hun gaven goed besteden. Zij hebben deze te ontwikkelen. Zij moeten ootmoedig de Schriften onderzoeken, aan elkaar onderdanig zijn, van elkander willen leeren. Zij moeten ook bewaard blijven voor moedeloosheid, want als zij hun werk zuchtende verrichten en niet met vreugde, zou het voor de geloovigen niet nuttig zijn. En daarom moet er veel voor hen gebeden worden. In de huizen; en gemeenschappelijk, als de geloovigen volharden in de gebeden. "Bidt voor ons," zegt de apostel een- en andermaal. En dat was de groote man, die onder allen, die vooraanstaan in de Gemeente des Heeren, wel de eerste plaats inneemt! - Gelukkig als de voorgangers zelf waarachtig de behoefte gevoelen, dat voor hen en hun arbeid veel wordt gesmeekt door anderen! Gelukkig ook, wanneer alle geloovigen doordrongen zijn van de begeerte, dat het Woord des Heeren overal zijn loop volbrenge, en zij zich daartoe in eendrachtig gebed wenden tot God om een zegen over allen en over den arbeid van allen, die in den dienst van den grooten Voorganger mogen werkzaam zijn!

Hoe schoon is het toch, dat de apostel in den Brief aan de Hebren, waar zoo telkens gesproken wordt over den grooten Gezant Gods, over den Oversten Leidsman, aan het slot drie malen spreekt over hen, die onder de broeders aan het hoofd staan, vooraanstaan, voorgangers zijn. Het is een drievoudig snoer, dat niet haast zal verbroken worden. Het is het nige drietal in het Nieuwe Testament, dat op deze wijze spreekt over de houding der geloovigen tegenover de voorgangers, hun door God gegeven. Bedenken we daarbij wel, dat de brief niet aan de voorgangers is gericht, maar aan de geloovigen.

"Gedenkt uwer voorgangers, die u het woord Gods gesproken hebben en volgt hun geloof na, beschouwende de uitkomst van hun wandel." (Heb. 13 : 7.) Nieuwe sterkte en nieuwe kracht kunnen we krijgen, door te gedenken aan hetgeen zij zijn geweest, die in ons midden hebben geleefd en gewerkt en nu zijn weggenomen. Hun geloof mogen wij navolgen. Hun Heiland is ook de onze; de onveranderlijke Jezus.

"Weest aan uwe voorgangers gehoorzaam en weest onderdanig, want zij waken over uwe zielen, als die rekenschap zullen geven; opdat zij dit doen mogen met vreugde en niet al zuchtende, want dit zou u niet nuttig zijn." (Hebr. 13 : 17.) Met gehoorzaamheid wordt hier niet bedoeld de gehoorzaamheid van dienstknechten, maar de gehoorzaamheid van heiligen, die gaarne luisteren naar hen, die God hun tot hun heil schonk. Deze gedachte bewaart voor het geven van verkeerde eer aan de dienstknechten des Heeren, maar wekt tegelijkertijd op tot een ootmoedige houding tegenover hen. Natuurlijk moeten de arbeiders zelf geen aanleiding geven, dat zij, in welk opzicht ook, zouden veracht worden. De Schrift leert, dat zij nederig hebben te zijn, in waarheid dienaren, maar de Schrift leert ook, dat men hen zal erkennen en achten. Het is zoo heerlijk, wanneer zij, die door God in Zijn dienst geroepen zijn, zwak zijn in zichzelf, in de binnenkamer worstelen met hun God, beven voor de taak, die hen wacht, maar dan straks als helden hun dienst verrichten, geroepen arbeiders, die daar staan in de kracht, die God verleent! Het is zoo heerlijk ook, wanneer de geloovigen dit vertrouwen hebben in de door den Heer hun geschonken voorgangers, en zij door hun meeleven de taak derzulken lichter maken en hunlieder arbeid te meer gezegend doen zijn!

"Groet al uwe voorgangers." (Hebr. 13 : 24.) Uit deze laatste opmerking valt zoo duidelijk af te leiden: Ten eerste, dat deze voorgangers bekend waren. Hoe konden zij hen anders groeten? Ten tweede, dat er tusschen hen en de andere geloovigen in dezen zin een onderscheid wordt gemaakt; immers volgt er: "en al de heiligen." Ten derde, dat de gehoorzaamheid, waartoe in vers 17 wordt opgewekt, geen gedwongen handeling is, maar een uitvloeisel van een hartelijke toegenegenheid. De groet is de uitdrukking van een liefhebbend hart. En een gehoorzaamheid, die niet hartelijk zou willen groeten dengene, die gehoorzaamd moet worden, kan geen gehoorzaamheid genoemd worden. - Het is merkwaardig, hoe de apostel er telkens op wijst, dat men elkander zal voorgaan met betooning van eer. In dat opzicht moeten de voorgangers zelf een goed voorbeeld geven; ook tegenover elkander. En de apostel laat het niet bij woorden, maar merkt tegenover anderen op, ook in de brieven, die voor allen werden voorgelezen, wrin sommigen te eeren waren, en laat ook niet na, tegenover de personen zelf het uit te spreken, in welk opzicht zij het hart van hem en den Heer door hun woord en werk en voorbeeld verblijdden. Welnu, hierin moeten allen hem navolgen.

Welke belangrijke dingen leert de Schrift ons over dit onderwerp! En welk een zegen is het, wanneer zulk onderwijs wordt ter harte genomen! Als een vrouw tot haar man moet gaan en zeggen, dat hij haar moet liefhebben, is er iets niet in orde. Als een man zijn vrouw onder de aandacht moet gaan brengen, dat zij hem onderdanig moet wezen, is er iets niet in den haak, wat den omgang betreft. Zoo is het ook in het door ons besprokene. De wederzijdsche verhouding moet een goede zijn en men moet elkaar dit niet onder het oog behoeven te brengen.

De voorgangers hebben te leven voor de aan hun zorgen toevertrouwden. En dezen hebben alles te doen, wat zij kunnen, om dezulken den arbeid gemakkelijk te maken. Opdat in alles het Werk des Heeren bevorderd en de Naam des Heeren verheerlijkt worde!