Het Boek der Spreuken.

 

TWEEDE GEDEELTE.

Hoofdstukken 10-24.

 

Uit welk beginsel leven wij? - De kwade tong. De zegen des Heeren.

Spreuken 10 : 13-22.

 

"In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden, maar op den rug des verstandeloozen de roede?" (Vers 13.)

"De wijzen leggen wetenschap weg, maar den mond des dwazen is de verstoring nabij." (Vers 14.)

Het eerste dezer twee verzen stelt de verstandigheid in het algemeen tegenover het onverstand; het tweede doet hetzelfde met de wijsheid tegenover de dwaasheid.

Het verstand is het vermogen, om de gedachten Gods te onderscheiden. Hij, die waarlijk Gods gedachten weet te onderscheiden, zal daarvan blijk geven in zijn woorden, en zal een gids worden voor anderen. Het onverstand evenwel kan noch ontvangen, noch mededeelen. Er is voor den verstandelooze maar n middel, om hem Gods gedachten te doen verstaan, en dat middel is de bestraffing!

De wijzen hebben schatten van kennis voor zichzelf vergaderd en bedienen zich ervan te rechter tijd. De dwazen echter spreken maar alleen voor zichzelf, en hun woorden zijn of brengen verstoring.

"Des rijken goed is een stad zijner sterkte; de armoede der geringen is hun verstoring." (Vers 15.)

"Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddeloozen is ter zonde." (Vers 16.)

"Het pad tot het leven is desgenen, die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen." (Vers 17.)

Het eerste vers van dit drietal bevat heilige ironie.

Z beschouwen over het algemeen de menschen armoede en rijkdom. Door rijkdom wanen zij zich onaantastbaar. Hun rijkdom is hun als een sterke stad. De armoede wordt daarentegen beschouwd als een groot kwaad.

Maar hoe spreekt de Wijsheid?

Zij vermaant als volgt: "De nederige broeder roeme in zijn verhooging, en de rijke in zijn vernedering, omdat hij als een bloem van het gras zal voorbijgaan." (Jak. 1 : 9, 10.)

Het volgende dezer drie verzen spreekt over het werk van den rechtvaardige en over de inkomst van den goddelooze. Het eene is ten leven, het andere ter zonde.

De rechtvaardige is hier de praktisch rechtvaardige, d.i. degene, van wiens wegen de zonde uitgesloten is. Diens werk heeft als doel: bij anderen het leven te werken en het voor zichzelf te grijpen en te bereiken. Hij aanvaardt de gevolgen van den val, en wil arbeiden in het zweet zijns aanschijns in een wereld, die door de zonde bedorven is, maar met de heerlijke zekerheid, dat zijn werk wordt beveiligd tegen de kracht van den dood, of, om het anders te zeggen, dat het "niet ijdel is in den Heer."

Ten aanzien van den goddelooze is er geen sprake van werk, maar van inkomst. Hij verkeert in den toestand van den rijke in vers 15. Hij voelt zich veilig en gerust in zijn "sterke stad!" Hij werkt niet, maar leeft van wat zijn goederen hem opleveren, en voedt daarmede de zonde. Dagelijks kan het worden opgemerkt, welk een kwaad er steekt in den mammon. De zonde leidt tot den dood, en de dood voert tot het oordeel! Schrikkelijk einde voor den mensch, die met God geen rekening houdt, en alleen maar voor zichzelf leeft! Onderzoeken wij onszelf uit welk beginsel wij leven. Deze korte uitspraak in de Spreuken is ons als een volmaakte spiegel.

Het laatste van het drietal verzen maakt de gedachte van het vorige vers volledig. Om den weg des levens te volgen, heeft de rechtvaardige de tucht en vermaning noodig. God bedient er Zich van, om ons daardoor te reinigen en te onderwijzen, en zonder tucht en vermaning kunnen we tot het leven niet komen. Wie zich er aan onttrekt, doolt en dwaalt van het doel af. (in het voorbijgaan zij opgemerkt, dat hier, zooals trouwens overal in het Oude Testament, aan het aardsche en niet aan het eeuwige leven wordt gedacht.) Op bijzondere wijze heeft dit vers betrekking op de opvoeding der zonen. Het geeft ons het ware uitgangspunt aan van alle ware opvoeding.

Nu volgt een vijftal verzen, dat bijeen behoort.

"Die den haat bedekt, is van valsche lippen; en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot." (Vers 18.)

"In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek-verstandig." (Vers 19.)

"De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddeloozen is weinig waard." (Vers 20.)

"De lippen des rechtvaardigen voeden er velen, maar de dwazen sterven door gebrek aan verstand." (Vers 21.)

"De zegen des Heeren, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij." (Vers 22.)

Is het niet een van de voornaamste beginselen der wereldsche beleefdheid, den haat te bedekken onder leugenachtige phrasen?

Maar er is ng een kwaad: de kwade tong! De tong, die, zonder eenige terughouding, leugenachtige, misleidende beschuldigingen tegen den naaste oververtelt, evenwel zonder deze zelf te verzinnen. 't Is dus maar oververtellen! Doch wie zulks doet is een zot! En men is even schuldig, of men de leugen te verstaan geeft door te zwijgen of door te spreken. Bovendien, al bedekt men ook den haat, te eeniger tijd komt de ongerechtigheid toch aan het licht, want de leugen wordt door den laster op den voet gevolgd. In het voorbijgaan wordt de lastering door de menschen aangegrepen, en de haat, die in het menschenhart woont, maakt voor de lasterpraat ruim baan, ook al is men overtuigd, dat men met leugen te doen heeft. Hoeden we ons dan in de vreeze Gods voor de valsche lippen en voor de kwade tong!

Het volgende vers is daarom ook zoo uiterst gewichtig. Wie vl spreekt, spreekt licht onbedachtzaam; weegt niet zijn woorden, alvorens ze den vrijen loop te geven. Het woord, dat we gesproken hebben, is niet meer het onze. Daarom zal de wijze zijn tong in toom houden. Ja, en bijaldien heeft de wijze zich telkens nog te oordeelen, en moet hij volhardend waken voor het kwaad van het onbedachtzame woord. (Jak. 3 : 2.) Als hij zijn lippen weet te weerhouden, wordt hij kloek-verstandig genoemd.

Er is, we merkten het reeds op, een nauw verband tusschen het hart en den mond. Uit den overvloed des harten spreekt de mond. Wat de wijze spreekt, wordt gewaardeerd. Zijn tong is uitgelezen zilver. En zilver is door de geheele Schrift het beeld van de verzoening en de verlossing, en spreekt daarom van de genade, waarvan de verlossing en verzoening de vruchten zijn. Door het woord van den rechtvaardige wordt het verkeerde vanzelf geoordeeld. Het hart is de bronwel van het woord. Het hart van den goddelooze staat geheel vreemd tegenover de genade, en daarom heeft ook het woord van den goddelooze zoo weinig waarde.

De woorden van den rechtvaardige voeden velen; zijn velen tot spijze. Volmaakt was het zoo met onzen Heer en Heiland. Maar eik geloovige zal in dit opzicht de voetstappen zijns Heeren willen volgen. Alleen de dwazen genieten er niet van, dewijl zij het voedsel niet begeeren. Ze verwerpen het zelfs, en de dood is hun bepaalde deel.

Zoo is er dan in dit vijftal sprake van verstandige handelingen, van woorden als uitgelezen zilver en als voedsel, maar al die zegeningen komen van onzen God. Dat is het schoone besluit. Het is de zegen des Heeren. Hij gebruikt wel menschen, de wijzen en rechtvaardigen, als Zijn instrumenten, maar nooit worden zij zelf de bron. Kanalen zijn ze, die de frissche, regen-aanbrengende wateren overal doen heenvlieten. Zegeningen, die omniet worden verkregen, en waarvoor niet wordt geischt, dat men er in een bepaalden toestand zich voor bevindt of er bijzondere moeite voor doet. Kortom: het is alles genade van God!