Correspondentie

B. W. te A. maakt naar aanleiding van wat hij in een bekend Christelijk tijdschrift gelezen heeft, een opmerking over de dagorde, waarvan in Lukas 1 : 8-10 sprake is, welke toegepast was op het prediken bij toerbeurt. Hij zegt: .Mijns inziens vergat de schrijver het onderscheid van de werking van Gods Geest in Oude- en Nieuwe Bedeeling, alsook, dat priesters en predikanten niet te vergelijken zijn."

Er is ook in de Nieuwe Bedeeling sprake van het ambt, al komt het woord in hoofdzaak in het Oude Testament voor. We vinden in het Nieuwe Testament melding gemaakt in de Gemeente van een zekere bediening, waardigheid of betrekking, door een hooger geplaatste opgedragen, die ambt wordt genoemd. Ouderlingen (of "opzieners," want dat is een ander woord voor ouderling, zie Hand. 20 : 17 te vergelijken met vers 28) en diakenen bekleeden in de Gemeente het ambt. En behalve deze twee ambten is er nog het ambt van priester, waartoe lk geloovige geroepen is. Alle geloovigen toch zijn koningen en priesters. (1 Petr. 2 : 5.) Gemeenschappelijk naderen zij, als zij zijn samenvergaderd aan den Disch des Heeren, met hun dankoffers tot God, welke Hem aangenaam zijn door Christus Jezus.

Verder echter gewaagt de Schrift van "gaven": die van evangelist, herder of leeraar. (De gaven van apostelen en profeten bezitten we in de Schriften van het Nieuwe Testament.) Deze gaven nu dienen tot bereiking van "de. volmaking der heiligen, totdat ze zullen gekomen zijn tot de eenheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volwassen man." (Ef. 4 : 11-13.) Daarom zijn dze gaven geblven! Andere gaven (nl. die der krachten, der talen, enz., zie 1 Kor 12 : 28-30) zijn wggenomen.

Een ouderling of een diaken kn ook met een "gave" zijn toegerust. (Denk aan Filippus, een der zeven diakenen van Jeruzalem, die in Samaria predikte; denk ook aan het woord uit 1 Tim. 5 : 17.) Maar dat prediken was zijn gave; niet zijn ambt. Als we alleen de Schrift raadplegen, is het duidelijk, dat er van een predikambt geen sprake is. Iemand, die dus het woord bedient, het Evangelie predikt, door den Heer der Gemeente daartoe met gaven toegerust, en door den Heiligen Geest daartoe bekwaam gemaakt, oefent een gave uit, hetzij hij evangelist is, of ook leeraar.

Is een predikant ook waarlijk een geloovige in Christus, dan is hij een priester. Maar dat is hij niet krachtens een hem toevertrouwd ambt, maar door zijn geboorte uit God, en door zijn verbonden-zijn met Christus. Van een vergelijking evenwel met den Oud-Testamentischen priester is drom alreeds geen sprake, omdat de Gemeente op een geheel anderen bodem staat dan Isral. De Priesters, en inzonderheid de Hoogepriester, waren er, om namens het volk tot God te naderen, en om van God tot het volk te komen. Het volk werd voor God vertegenwoordigd door den Hoogepriester.

Bij de Gemeente is het hl anders.

Zij wordt in den hemel vertegenwoordigd door Christus, den Hoogepriester naar de ordening van Melchizdek. Op de aarde naderen de geloovigen, hetzij persoonlijk, hetzij gemeenschappelijk, in hun eeredienst rechtstreeks, dus zonder een mensch als middelaar, tot God.

Omdat men de Gemeente vaak beschouwt als Isral, als een voortgezet of geestelijk Isral, is men tot het vertegenwoordigend of bemiddelend priesterschap op aarde gekomen. De consekwentie zien we in de Roomsch-katholieke Kerk.

En wat nu de "dagorde" betreft; dat wordt eenvoudig verklaard door wat we in 1 Kronieken 24 lezen aangaande de door David gemaakte verdeelingen: dr vinden we de uit Aron voortgesproten priesterorden, nl. 16 uit Eleazar, uit wien de priester Zadok was, en 8 uit lthamar, van wien Abjathar afstamde. Maar deze Abjathar wordt niet genoemd; wel diens zoon Abimelech. Abjathar was met Adonia betrokken geweest in diens samenzwering, en is door Salomo weggezonden naar zijn akkers, naar Anathoth. (1 Kon. 2 : 27.)

Het zal wel duidelijk zijn na het voorgaande, dat predikbeurten met een dagorde der priesters niets hebben uit te staan.