Het Boek der Spreuken.

 

EERSTE GEDEELTE.

Hoofdstukken 1-9.

 

De wijsheid en haar wegen ons tot in bijzonderheden voorgesteld.

Spr. 3.

 

In de vorige hoofdstukken is het doel der Spreuken meer in het algemeen voorgesteld; hier komen we nu tot de bijzonderheden van de Wijsheid en van haar wegen. Tot aan het eind van hoofdstuk 7 wendt zij zich tot haar zoon. In hoofdstuk 8 en 9 houdt zij zich met alle menschen bezig. Deze beide hoofdstukken sluiten derhalve aan bij hoofdstuk 1 vers 20 tot 23, waar we de Wijsheid op de straten, aan de deuren der poorten, in het gewoel der schare vinden; waar zij overluid roept en haar stem verheft; waar zij een woord voor ieder heeft, voor den spotter zelfs en voor den zot; waar zij roept: "Keert u tot mijn bestraffingen!" en waar zij komt met haar heerlijke belofte: "Zoo zal ik u mijn woorden bekend maken, zal mijn Geest over u uitstorten!" Maar van 't derde hoofdstuk af, tot en met het zevende, richt zij zich tot de zonen. Dat woord "mijn zoon!" heeft een liefelijken klank. Het komt ook in de twee vorige hoofdstukken wel meer dan eens voor, maar hier herhaaldelijk. De lezer vergelijke maar eens: hoofdstuk 3 : 1, 11 en 21; dan 4 : 1, 3, 10 en 20; voorts 5 : l en 7 en 6 : l en tenslotte hoofdstuk 7 : 1 en 24. Telkens is het daar: "kinderen," "gij kinderen!" "mijn zoon!" Het is de welbekende stem der liefde, die spreekt. Het derde hoofdstuk heeft driemaal "mijn zoon," en wel telkens als weer een nieuw gedeelte begint.

 

In de verzen 1 tot 4 vinden we de karaktertrekken van den weg, dien de zoon der Wijsheid bewandelt. Hij is verantwoordelijk voor het onderwijs, dat de Wijsheid geeft. Aan de geboden heeft hij zich te onderwerpen, de onderwijzingen heeft hij zich voortdurend te herinneren. Die geboden zijn verheven en met Goddelijk gezag bekleed. Door de onderwerping aan deze verheven inzettingen, en door de voortdurende herinnering wordt een zegen op deze aarde en in dit leven verworven: "Langheid van dagen, jaren van leven en vrede." We herhalen: "op deze aarde" en "in dit leven," want de Spreuken stellen ons de wegen, de regeering Gods, voor. Zij plaatsen ons op het terrein der regeering Gods, die zich laat gelden in ons leven op aarde. (Zie ook vers 10 van ons hoofdstuk, waar we gevulde schuren, overloopende perskuipen vinden.)

Aan de onderwerping en herinnering ten opzichte van de geboden en onderwijzingen worden nu in de verzen 3 en 4 "de goedertierenheid" en "de trouw" geschakeld, deze versiering van den inwendigen mensch. In Christus zijn deze twee eigenschappen in volmaaktheid te aanschouwen. Meer nog dan goedertierenheid is de genade. En van den Heer Jezus staat geschreven: De genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden." (Joh. 1 : 17.) De zoon der Wijsheid moet beide vertoonen als zijn door God geschonken versiering. (Zie hoofdstuk 1 : 9.) Misschien zijn ze hem als een lichte last en als een zacht juk (vergelijk hoofdstuk 6 : 21), die hij beide gaarne opneemt en draagt; en als een kostelijk woord, waarop hij zijn hart zet, opdat hem ontmoete, wat de Heer Jezus op Zijn weg vond: "gunst bij God en menschen." (Luk. 2 : 52.)

De Wijsheid handelt volgens bepaalde beginselen. Die worden genoemd in de verzen 5 tot en met 10. In de allereerste plaats moet de zoon der Wijsheid op den Heer vertrouwen en niet steunen op zijn eigen verstand. Ten tweede moet hij den Heer kennen in al zijn wegen, d. w. z. hij behoort al zijn wegen in overeenstemming te brengen met het karakter des Heeren. Doet hij zulks, dan zal God zijn paden recht maken, d. w. z. de juiste, d. i. de rechte - richting er aan geven. In de derde plaats moet het kind der Wijsheid geen hooge gedachten hebben van zijn eigen kennis. Paulus spreekt daar ook over in Romeinen 12 en zegt er van: "Tracht niet naar hooge dingen, .... weest niet wijs in uw eigen oogen." Voorts moet hij den Heer vreezen, d.i. aan God de plaats geven, die Hem toekomt in zijn leven. Het onmiddellijk gevolg daarvan is, dat hij wijkt van het kwaad. Dit is de voorwaarde voor het welzijn (geestelijk en ook lichamelijk) van de kinderen der Wijsheid, die hun zelfstandig leven mogen leiden; en de groei en ontwikkeling zullen er door bevorderd worden. (Zie vers 8.) Ten vijfde, of ten laatste, is de zoon verschuldigd - en daarover spreken dan de verzen 9 en 10 - den Heer te vereeren van zijn goed en van de eerstelingen zijner inkomsten. Dankbaar zal hij steeds erkennen, dat alles van God komt en tot Hem moet wederkeeren. Uit zijn mildheid zal zijn dankbaarheid blijken. God zal de aardsche goederen vermeerderen dengene, die erkent, dat hij alles, wat hij bezit, aan God heeft te danken, en een trouw rentmeester is over hetgeen hem is toevertrouwd.

 

Het kan evenwel voorkomen, dat deze tijdelijke zegeningen achterwege blijven, ja zelfs, dat er moeilijkheden en bezwaren zich voordoen, en de zoon onder de tucht Gods komt. Moet hij in zulk een geval de tucht des Heeren verachten, of moet hij den moed verliezen onder de kastijding? (Zie Hebr. 12 : 5 en 6 en Openb. 3 : 19.) Integendeel, de kastijding is een zegen, een bijzonder blijk van liefde jegens de kinderen. Daarmede houden de verzen 11 en 12 ons bezig. En dan volgt in de verzen 13-18 de schoone beschrijving van de waarde der Wijsheid voor degenen, die haar vinden, en van de verstandigheid, wanneer men deze verkregen heeft, nadat men heeft afgezien van eigen wijsheid en eigen inzicht. Zij is een dubbele bron van geluk, zoowel voor wie haar bezit (vers 13), als voor wie haar handhaaft (vers 18). "Houdt wat ge hebt," zegt de Heer in Openb. 3 : 11. De Wijsheid is "een boom des levens voor degenen, die ze aangrijpen." Zij onderhoudt door haar vruchten het leven dergenen, die haar bezitten. Voor ons is deze boom des levens Christus (Openb. 2 : 7.), d. i. de Opperste Wijsheid in Persoon; en het leven, dat Hij geeft, is het eeuwige leven. Hier beneden gaan deze zegeningen niet verder dan de aardsche tijdens de heerlijke regeering van Christus in het vrederijk; terwijl voor ons al wat de Heer ons schenkt - den vrede, het geluk, het leven - een hemelsch karakter dragen. Men moet de Wijsheid vinden, haar aangrijpen, want ze is buiten ons en ze bevindt zich in den Persoon van Christus.

Nadat we zijn bepaald bij de beginselen, waarnaar de Wijsheid in ons handelt, worden we beziggehouden bij de volheid der Wijsheid niet in ons, maar in God; in Hem, die ons heeft wedergeboren. Als ik wil kennen de drie schatten, waarover telkens in de Spreuken sprake is, nl. de wijsheid, het verstand en de kennis, dan kan ik die in volkomenheid vinden in Christus. Hij heeft ze geopenbaard bij de schepping aller dingen; van Hem staat geschreven: "Gij hebt in den beginne de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn het werk Uwer handen." (Ps. 102 : 26; Hebr. 2 : 10.)

 

In vers 1 van ons hoofdstuk vonden we, wat de zoon niet moet vergeten; in vers 11 wat hij niet moet verwerpen; in dit gedeelte nu wordt ons voorgesteld, wat hij behoort te bewaren, nl. gezonde gedachten van zichzelf (vergelijk ook Rom. 12 : 3.), en de rechte gedachte over hetgeen God hem voorstelt. Daarbij kan de ziel leven, en daardoor wordt het leven versierd. Als wij zelf de tweede plaats innemen, om de eerste aan Christus te laten, zal onze weg vrij zijn van alle onbestendigheid. We zullen dan als op den dag wandelen, zonder ons te stooten. De nacht zal ons niet verschrikken, maar zal slechts de gelegenheid zijn, om te rusten. Nog een tweede middel om te ontkomen aan allen strik des vijands is: het vertrouwen op den Heer. Dit laatste komt zoo schoon uit in het afhankelijke leven van onzen Heer Jezus. Als de Knecht des Heeren vinden we Hem in den zestienden Psalm. Dat dit waarlijk zoo is, blijkt uit de aanhaling in Handelingen 2, waar Petrus zegt: "Want David zegt aangaande Hem (d.i. aangaande Christus): Ik zag den Heer altijd vr mij, want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankele " (Zie de verzen 25-28 van Hand. 2.) En wat is nu het wonderschoone begin van dezen Psalm? "Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U!" De heele weg ligt in dit lied vr ons, totdat het eindigt met "Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht, liefelijkheden zijn in Uwe rechterhand, eeuwiglijk."

Twee middelen dus op onzen weg, om dien naar Gods gedachten te gaan: het eerste is een goede toestand of gezindheid des harten, bewerkt en behouden door de waardeering en de onderhouding van het Woord Gods; het tweede is een recht kinderlijk vertrouwen op onzen God. In het voorbijgaan willen wij er even op wijzen, dat we bijna hetzelfde vinden in Hebren 4. Daar ligt de weg naar de eeuwige rust vr ons. En wat zijn de twee hulpmiddelen, die van Gods wege den pelgrims worden voorgesteld? Zijn het niet het Woord en het Hoogepriesterschap van Christus? Onder de tucht van het Woord levende, en de toevlucht nemende tot den troon der genade, waar wij onzen grooten en medelijdenden Hoogepriester hebben, worden we staande gehouden, en vinden we barmhartigheid en genade tot tijdige hulp. - Het Woord des Heeren en het vertrouwen op God beveiligen den geloovige. Het kwaad, dat de boozen treft, schaadt hen niet. De hoop blijft levendig, en de voet wordt beveiligd van alle kwaad. (Vers 26.)

In de verzen 27-30 vinden we een andere vrucht der Wijsheid bij hen, die haar bewaren in het hart. Hier geen beschutting tegen de strikken des boozen. Neen, hier alleen sprake van dingen, waaraan we ons niet zullen schuldig maken ten opzichte van onzen naaste. Het is alles negatief. We zullen hem niet onthouden, wat hem toekomt; we zullen hem niet laten wachten tot morgen op wat we hem heden kunnen geven; we zullen geen kwaad tegen hem aanleggen; geen misbruik maken van het ons geschonken vertrouwen; niet twisten, als we niets te klagen hebben, d. i. als ons geen oorzaak gegeven wordt. We zouden misschien alles aldus kunnen samenvatten: Zoeken bewaard te blijven voor alles, wat uit eigenliefde voortspruit. Als ik alleen aan mijzelf denk, hoe licht doe ik dan juist datgene, waarvan ik mij behoor te onthouden. Waar eigenliefde plaats maakt voor liefde tot de broeders, voor liefde tot alle menschen, daar zal gewilligheid des harten worden gevonden, om te vermijden, waarvoor de Wijsheid hier waarschuwt. Mochten we toch meer aan al deze dingen, d. i. aan de dingen van het dagelijksche leven, denken, hoe veel liefelijker en vruchtbaarder zou het leven worden, en hoe zou vooral de Heer mr worden verheerlijkt!

Maar als het nu gaat niet om den naaste, veel minder om den broeder, maar om den man des gewelds, over de boozen, wat heeft dan het kind der Wijsheid te doen? Daarop geven tenslotte de verzen 31-35 antwoord. De zoon der Wijsheid moet verre blijven van hun wegen, want alle zegeningen komen van den Heer. Voordeel of gewin mogen dus nooit een voorwendsel zijn, om den voet te zetten op den weg van den verkeerde. "De afwijker is den Heer een gruwel." (vers 32a.) De verborgenheid des Heeren is met den oprechte; Hij zegent de woning van den rechtvaardige. De hoovaardigen wederstaat Hij, maar den nederigen geeft Hij genade. (Jak. 4 : 6.) De eere woont in de tent van de zonen der Wijsheid. Derhalve - alle zegeningen behooren aan hen, die hier beneden den weg van ware afzondering volgen. Die weg was ook de weg van Christus!