Correspondentie

 

L. v. d. W. te Den Haag vraagt, hoe het te verklaren is, dat Mozes in Num. 12 : 3 zelf schrijft, dat hij zeer zachtmoedig was, meer dan alle menschen, die op den aardbodem waren ?

Ten eerste moet worden bedacht, dat, wat Mozes geschreven heeft, door den Heiligen Geest is ingegeven. Maar ten tweede is het duidelijk, dat hier niet genoemd wordt hetgeen tot Mozes' eigen eer moest strekken, doch dat eenvoudig vermelding plaats vindt van het feit, dat Mozes zoo was; niet uit zichzelf, maar door de genade Gods. En in het verband met hetgeen in Num. 12 wordt medegedeeld, was het noodzakelijk, dit te vermelden. Elk ander zou zeker onmiddellijk zichzelf verdedigd hebben, verontwaardigd zijn geworden na zulk een verkeerd, onverdiend woord. Mozes echter liet het voor hetgeen het was. Doch - de Heer nam het voor hem op. Haastelijk.


 

A. v. d. M. te Katwijk vraagt, naar aanleiding van het artikel over Jes. 45 in den Bode van Februari, wr het staat, wat in die beschouwing wordt gezegd: dat God den hemel en de aarde volmaakt schiep; en voorts: wr geschreven is over een engel, die hoog verheven was en is afgevallen.

In Jes. 45 : 18 wordt gezegd: "Want alz zegt de Heer, die de hemelen geschapen heeft, die God, die de aarde geformeerd heeft, die ze niet geschapen heeft, dat ze ledig zou zijn, die ze heeft geformeerd, opdat men daarin wonen zou: Ik ben de Heer, en niemand meer." Als er dus in Gen. 1 : 2 staat: "De aarde nu was woest en ledig," is het duidelijk, dat God haar niet z heeft gemaakt, maar dat ze zoo geworden is. In Gen. 1 : 1 is sprake van de hemelen en de aarde. Die schiep God in den beginne. Natuurlijk met het doel, dat ze gevuld zouden zijn met hetgeen God verheerlijken en anderen tot nut zijn kon. Dus goed, volmaakt, uit de handen des Heeren voort gekomen. In Gen. 1 : 2 wordt dan ook niet over de hemelen gesproken. Maar alleen gezegd: De aarde nu was woest en ledig.

In Ezech. 28 : 13 en 15 (bij vergissing is in den Bode van Februari aangegeven: Ezech. 18 : 13 en 15) staat geschreven, wat gij vraagt omtrent dien verheven en afgevallen engel. We lezen daar: "Gij waart in Eden, Godes hof waart een gezalfde, overdekkende cherub, en Ik had u alzoo gezet, gij waart volkomen in uw wegen van den dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is." En in Jes. 14 : 12 en 13 lezen we: Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! Hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij, die in uw hart zeidet: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhoogen, ik zal den Allerhoogste gelijk worden. Ja, in de hel zult gij nedergestooten worden!" De zonde van den duivel is zelfverheffing. (1 Tim. 3 : 6.) Tot dezelfde zonde trachtte hij den mensch te brengen. Door deze zonde werd de aarde woest en ledig. Door deze zonde werd de mensch uit 't paradijs verdreven.

Als er in Gen. 2 : 3 geschreven staat: "Hetwelk God geschapen heeft, om te volmaken," wil dit niet zeggen, dat God alles schiep, opdat het later zich zou uitleven en volkomen zou worden. Integendeel: God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed." "Alzoo zijn volbracht de hemel en de aarde en al hun heir. Als nu God op den zevenden dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op den zevenden dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had." De uitdrukking: "om te volmaken" moet dan ook luiden: "het makende." Alle nieuwe vertalingen geven het oorspronkelijke van Gen. 2 : 3 ongeveer aldus weer: "Hetwelk God geschapen heeft door het te maken."


 

J. D. te Amsterdam vraagt, of hem ook kan worden medegedeeld, wat het Boek des Oprechten, waarvan sprake is in 2 Sam. 1 : 18, (zie ook Jozua 10 : 13,) voor een boek is geweest.

Het genoemde Boek droeg eigenlijk den naam van een persoon, Jashar geheeten. De beteekenis van dezen naam is oprechte of rechtschapene.

Het Boek van Jashar was een verzameling van gedichten, waarin ook het gedicht voorkwam, dat voor deze gelegenheid werd gemaakt. Dit boek schijnt hetzelfde te zijn als het boek van de oorlogen des Heeren, genoemd in Num. 21 : 14, hetwelk dan later is voortgezet door Jashar. De heenwijzingen naar hetgeen in dit boek geschreven stond, worden niet gedaan, omdat hetgeen Mozes, Jozua of Samul schreven, genspireerd door Gods Geest, bevestiging behoefde van het boek van Jashar, hetwelk niet aldus was ingegeven; maar omdat het voor de lezers der gewijde boeken nuttig was, ze te vergelijken met het ongewijde boek van dezen rechtschapen geschiedschrijver. Zooals wij nu de ongewijde geschiedenis aanhalen, om te zeggen: vindt gij niet ook dr de bewijzen van de waarheid van de gewijde geschiedenis?


 

P. M. v. d. W. te Hilversum vraagt naar de beteekenis van Matth. 20 : 28 en Openb. 20 : 13.

 

"De Zoon des menschen is gekomen, om Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen."

Rantsoen wil zeggen losgeld, afkoopgeld. Met een rantsoen koopt men vrij.

Verloren zondaren, onder de slavernij van Satan, en daardoor aan den dood onderworpen - de dood is de bezolding der zonde! - konden slechts op n wijze worden vrijgekocht, n.l. door den dood van Christus. Petrus schrijft aan zulke vrijgekochten: Gij zijt niet verlost door zilver of goud, maar door het kostbare bloed van Christus.'' - De apostel gebruikt het woord "kostbare," omdat hij denkt aan den prijs. Het was de hoogste prijs, die geischt kon worden. Welnu, die prijs is gebracht. Christus heeft dien betaald. Ten behoeve, of ter wille van allen, hetgeen blijkt uit 1 Tim. 2 : 6, waar we lezen: "Die Zich gegeven heeft tot een rantsoen voor allen." Dat wil dus zeggen, dat voor niemand, wie ter wereld ook, en in welken tijd ook, ooit meer iets moet gedaan worden tot loskooping of ter bevrijding. Wat geschieden moest, is geschied!

Maar al is de prijs betaald ten behoeve van allen, toch zijn daarmede niet allen vrijgekocht uit de slavernij van den duivel en verlost uit den dood. Het Evangelie van God komt tot allen, en de inhoud er van is: bekeert u tot God, en gelooft dan, dat God alles deed, wat voor de verlossing noodig was; dat Christus gekomen is, om den prijs te betalen. Een ieder, die het Evangelie Gods gehoorzaamt, die zich dus bekeert, en van harte de blijde boodschap van den gestorten losprijs gelooft, die weet vrijgekocht te zijn.

Ongeloovige, onbekeerde menschen kunnen verstandelijk weten, dat de prijs betaald is, maar geloovigen in Christus hebben voor zichzelf tot in eeuwigheid de vrucht er van! Ze zijn verbonden met Hem, die alles voor hen deed. Met Matth. 20 : 28 kunnen ze zeggen: "Christus kwam, om mij te dienen, te dienen tot zelfs in de overgave van Zijn leven. Hij gaf Zijn ziel tot een losprijs voor mij." Al de geloovigen in Christus vormen derhalve samen "de velen," waarvan in den tekst sprake is.

Toen Christus voor "allen," d. i. ter wille van allen, stierf, werd daarmede bewezen, dat allen den dood hebben verdiend, dat allen in den dood zijn.

Toen Christus voor "de velen," d. i. in de plaats van hen stierf, deed Hij den dood voor hen teniet. Alz ontrukte Hij "de velen" aan den dood.

Is iemand nog onbekeerd, en blijft hij ver van God in ongehoorzaamheid en ongeloof, dan wete hij, dat hij tot die "allen" behoort. Hij veracht den losprijs.

Is iemand evenwel met belijdenis van schuld tot God gegaan, en is hij gekomen tot het geloof in het vergoten bloed van het Lam Gods, dan wete hij, dat hij behoort tot "de velen." Hij gaat in vrijheid uit. Hij is een vrijgekochte des Heeren.

Die "velen" nu, die vrijgekochten des Heeren, volgen hun Heer in de heerlijkheid. De overigen worden - en dat is rechtvaardige vergelding - geoordeeld. Of zij ook gestorven zijn, doet niets daaraan af. Want er is een doodenopstanding. De ongeloovigen staan k op! Evenwel, om gestraft te worden. Kleinen en grooten, en dat een iegelijk naar zijn werken. Ze zijn verloren. Maar verloren zijnde, ontvangen zij hun rechtvaardige straf. Van den grooten, witten troon af wordt recht gesproken. (Openb. 20 : 13.) De dood als macht wordt geworpen in den poel des vuurs. De hades, de plaats, waar de zielen der menschen na den dood waren heengegaan, wordt k geworpen in den poel des vuurs. En ten slotte - de voor den grooten, witten troon geoordeelden, wier namen niet staan in het boek des levens, k zij worden geworpen in dienzelfden poel des vuurs. Die poel des vuurs is de tweede dood - het eeuwig oordeel - het eeuwig zich bevinden onder den heiligen en rechtvaardigen toorn van God! De toorn Gods blijft op hen! (Zie Joh. 3 : 36.)