"ALS ZE ZIEK ZIJN!"

 

Een reiziger kwam eens bij een bron, waar drie herders met hun kudden zich bevonden om de schapen te laten drinken. De dieren stonden zeer dicht bij elkander en schenen één kudde te vormen, zoodat 't onmogelijk was de schapen der verschillende kudden te onderscheiden.

Na eenigen tijd stond een der herders op en riep: "menah" - dat wil zeggen: "volg mij" - en een dertigtal schapen scheidden zich van de anderen af en volgden hem.

Kort daarna maakte een der andere herders zich gereed om te vertrekken, hij stond op en riep eveneens: "menah," "menah," en wederom kwam er beweging onder de dieren. Een groot aantal schapen scheidden zich af en ging met den tweeden herder mede.

De reiziger vroeg nu aan den derden herder, hoe de schapen er toe kwamen om zich op dat roepen zoo in eens van al de anderen af te scheiden.

"Wel," was het antwoord, "elk schaap kent de stem van zijn herder."

"Volgen ze dan nooit iemand anders?" - vroeg de reiziger aan den herder.

"Ja, toch wel," was het antwoord, "maar dat is een slecht teeken. Als ze ziek zijn, dan volgen ze elk, die hen roept, maar als ze goed gezond zijn, volgen ze alleen hun eigen herder."